woensdag 31 oktober 2007

Herfstvakantie

Met de extra lange bespreking (nou ja, bespreking, meer een door mij aan elkaar geprate mini-bloemlezing eigenlijk) van het dagboek van William Soutar laat ik de abonnees van Achille een paar dagen alleen.

Achille van den Branden trekt naar Vianden, en geen literair meesterwerk kan hem daar tot een sessie aan de computer verleiden.

Nieuwe berichten niet eerder dan maandag 5 november.



____

Dagboek van een stervende - William Soutar

Van de mij volslagen onbekende uitgeverij Vorroux kwam mij een boekje onder ogen dat zorgde voor een van de meest ontroerende leeservaringen van dit jaar.

Ik heb het over de bloemlezing uit de dagboeken van William Soutar (1898-1943). Deze dichter werd geboren in het Schotse Perth en kwam uit een religieus en tot op zekere hoogte nationalistisch geïnspireerd gezin.

De jonge Soutar had alle uitzicht op een succesvol leven: hij was knap en populair, behaalde uitstekende schoolresultaten en ging door voor een gerespecteerd sportman. Maar na zijn diensttijd bij de marine raakte Soutar kreupel. Een verscheurende pijn aan benen en heupen zou hem de laatste veertien jaar (!) van zijn leven aan het bed gekluisterd houden. Diagnose: spondylitis (wervelontsteking).

Soutar, die in 1923 zijn debuutbundel publiceerde, zou zolang zijn gezondheid het toeliet gedichten blijven schrijven. Tot de dag voor zijn dood hield hij ook allerhande dagboeken bij waarin hij zijn visies op kunst, filosofie, politiek en religie optekende, naast medidaties ingegeven door zijn bedlegerigheid.

Tussen het schrijven door ontving Soutar bezoek aan bed, van intellectuele geestesgenoten en van talloze vrienden die hem door zijn stoïcijnse attitude als een soort halve heilige gingen beschouwen. De omstandigheden waarin Soutar leefde en werkte doen aan het geval Proust denken. Inleider en vertaler Harry Oltheten:

"Het was soms zo druk dat zijn kamer te klein werd. Zijn vader brak de hele raamkant weg en maakte een uitbouw in de tuin die hij afsloot met een raam dat bijna de hele wand besloeg. Aan weerszijden daarvan plaatste hij lange verticale spiegels. Zo kon Soutar, die nu bijna volledig verlamd was, vanuit zijn bed, dat haaks op de tegenoverliggende wand stond, een ruime blik op de wereld en op zijn kamer werpen. De andere wanden waren bedekt met boekenkasten, en met behulp van de wandspiegels en een klein handspiegeltje kon hij elk boek dat hij wilde hebben lokaliseren. Ze werden op tafeltjes naast hem geplaatst. Zijn werktafel op wieltjes kon over zijn bed gedraaid worden."

Een van de weinige tekens van leven uit de buitenwereld die hun neerslag vinden in het Dagboek van een stervende, is het bericht op de radio dat Duitsland in de vroege morgen Polen is binnengevallen. In zijn dagboeken -- of toch in de keuze die zijn biograaf Alexander Scott daaruit maakte, waarvan deze uitgave een integrale vertaling is -- legt Soutar immers vooral zijn ideologische en artistieke ontwikkeling vast. Het is een gedachtendagboek, geen gebeurtenissendagboek.

Zo legt Soutar getuigenis af van zijn individuele relatie tot het geloof,

"Ik geloof dat het voor het merendeel van de christenen een goede zaak zou zijn als ze hun bijbels eens een aantal jaren opborgen, en daarna naar de woorden van Jezus zouden terugkeren, woorden die dan hopelijk van hun stoffige spinnenwebben ontdaan zouden zijn. Het is jammer dat bijna niemand op natuurlijke wijze tot de bijbel komt, hem ziet als een gave die door de hemel is gezonden, als een bloem. Helaas is hij zo bezoedeld door degenen die hem tot ons brengen dat de frisheid eraf is. De belangrijkste boeken in je leven zijn uiteindelijk degene waartegen je zelf bent aangelopen. Je krijgt er een band mee die je nooit zult krijgen met ‘aanbevolen boeken’."

en engageert hij zich voor het Schotse taalparticularisme:

"Er zijn tekenen dat de onderwijsautoriteiten zich beginnen te realiseren dat het Schots zich in zijn graf omdraait. Laten ze zich haasten en het opgraven."

Dat betekent niet dat Soutar een naïeve nationalist was die teerde op het verleden.

"Het zou voor Schotland een uiterst hygiënische maatregel zijn als wij de wortels van de aan ons toegeschreven valsheid zouden traceren. Ik twijfel er absoluut niet aan of de zogenaamde ‘Aberdeensigheid’ is symptomatisch voor de doortraptheid van onze nationale aard die alleen maar groter is geworden sinds we als natie niet meer bestaan. Doordat we de banden verbroken hebben met het continent, onze taal en ons traditionele erfgoed, was het onvermijdelijk dat bekrompenheid ons land zou overwoekeren, zodat onze nationale karaktertrekken ten slotte ineengeschrompeld zijn tot particuliere eigenaardigheden en onze karakteristieke types verworden zijn tot dorspidioten. Een land dat in voorbije tijden zijn faam ontleende aan helden, wetenschappers en martelaren wordt nu gesymboliseerd door kilt dragende komedianten, zuur kijkende ouderlingen en hebberige pummels."

Soutar zal na vele kopbrekens het pacifisme omarmen. Kopbrekens, want de dichter voelt dat wanneer hij zich moedwillig afsluit voor het patriottisch vuur (en de bijbehorende spanning en gistende emoties) zijn creativiteit beknot wordt. Maar uiteindelijk is hij te veel een einzelgänger om te heulen met levensgrote idealen.

"Hoe schitterend iemands redenen voor deelname aan een oorlog ook mogen zijn, het resultaat is altijd een ontkenning van de integriteit van het individu. Het is een weloverwogen keuze voor geweld boven geloof in het leven. Oorlog is de ontkenning van vertrouwen en, ondanks al zijn heldendom, een kind van de angst. Hij tracht de wereld te redden door het lichaam te offeren als remplaçant voor de ziel. Ingekankerd is zijn gewoonte om mensen tot zijn knecht te maken, want vertrouwen doet hij hem niet, en waar vertrouwen ontbreekt komt de dwang. Vertrouwen is individueel en verlangt geen bewijs. Je kunt het een mens niet zomaar geven en zeker niet opdringen. Je kunt mensen wel inlijven voor het slagveld, maar hoe zij de realiteit ervaren bepaalt hun eigen eenzame ik."

Altijd is daar de rusteloze, zoekende, zichzelf in vraag stellende, in zijn eigen ziel wroetende Soutar die het woord voert,

"Het is makkelijker argument op argument te stapelen om de toestand van het moment te handhaven, dan de juistheid van verandering aan te tonen. Verandering vraagt vertrouwen en de eerste stappen voeren je noodzakelijkerwijs op onbekend gebied. Als iemand besloten heeft te wachten tot hij er absoluut van overtuigd is dat zijn vertrouwen berust op goede gronden, dan moet hij er vrede mee hebben dat hij wegrot in stilstaand water."

"Wanneer je bedenkt hoe betrekkelijk kort ons verblijf op deze aarde is en hoe betrekkelijk saai en betekenisloos ons leven verloopt, verbaast het je hoe bekrompen en weinig geïnspireerd we met elkaar omgaan. Wij komen bij elkaar, praten over algemeenheden en draaien de lappenmand met clichés keer op keer om. Alles wat voor bespreking in aanmerking komt kennen we van buiten. Onze omgang kent geen enkele creativiteit. Wij ervaren slechts zelden iets directs en ook via een omweg dringt er nauwelijks iets tot ons door. Een rudiment van menselijke interactie blijft er natuurlijk altijd, maar alles blijft binnen de enge grenzen van wederzijdse steun en waardering. Je vraag je af of het niet verstandig zou zijn elkaar te confronteren – of affronteren – met ongemakkelijke vragen, de kleine muurtjes in de maatschappij af te breken en elkaar te bekijken in het licht van de eeuwigheid waarin alle vragen zijn toegestaan."

en dat maakt deze notities tot een belevenis, hoewel de dichter zelf reserves maakt bij het genre.

"Een dagboek is als drank: wij hebben vaak de neiging ons er helemaal aan over te geven. Het wordt een gewoonte die ons er steeds toe verleidt meer te zeggen dan eigenlijk zou moeten en meer te beweren dan we met recht en reden zouden mogen. Het is een soort privé-krant die elke dag zijn hoeveelheid nieuws eist en niet zelden verwordt tot een vergaarbak van spirituele roddelpraat. Maar het kan ons er niet alleen toe bewegen de eigen persoonlijkheid te verraden, het verleidt ons er ook toe onze medemensen te verraden. Hierdoor wordt het een alter ego dat deelt in de kleinzielige laster die we niet hardop durven te uiten. Een dagboek is een moordenaarsmantel die wij vragen als wij een vriend met een pen in de rug steken. Kijk naar dit dagboek dat schuld bekent zelfs tot eigen nadeel, want hoeveel op deze pagina wordt door de anderen voor waarheid aangezien?"

Lezen
William Soutar [foto] noteert veel over zijn lectuur. In 1930 begint hij met het doorploegen van de Encyclopaedia Brittanica. Het project is begroot op tien jaar, maar in het verdere dagboek zal er niet meer over worden gerept. (Niet dat hij aan zijn proefstuk toe is: Soutar heeft ChambersTwentieth Century Dictionary al achter de kiezen. Negen jaar deed hij er over.) Soutar leest in dit dagboek vooral literatuur:

Nietzsche,

"Vaak voel je je, als je Nietzsche leest, alsof je op een heldere, winderige dag op een hoge heuvel staat; wij zijn ons altijd bewust van actie, ruimte en een atmosfeer die het best weergegeven kan worden met het woord ‘verfrissend’. Je kunt Nietzsches filosofie pantomimisch noemen – ieder woord is een fors gebaar, een moment in een indrukwekkende dans."

Eliot,

"Eliot’s stijl is van een aristocratische helderheid, maar droog in de mond. En hoe alert hij je geest ook houdt, hij verwarmt zelden je hart. De smaak is uitstekend, maar niet vol. Wij nemen hem tot ons met teugjes, nooit met flinke slokken."

de toneelstukken van Shaw,

"Het zijn koele, doodse en gladjes verlopende instructieve thema’s."

die van Shakespeare,

"De invoelende verbeelding van de mens benadert het goddelijke. Zij is het enige instrument waardoor wij tot op zekere hoogte in staat zijn andermans leven te betreden en gedeeltelijk te leven. Dit is de eigenschap waardoor we samen met de vogel de wind kunnen trotseren, met de zalm de waterval kunnen beklimmen, met de worm door het gras kunnen kronkelen. Maar bovenal stelt de invoelende verbeelding ons in staat onze ervaringen te delen met onze medemensen. Hierdoor blijven we gezond in de breedste betekenis van het woord. Deze eigenschap komt het duidelijkst aan het licht bij een uitzonderlijk genie en toont ons de superioriteit van Shakespeare en het drama. Doordat ieder er het zijne in kan zien, is het drama onze echte gemeenschapskunst."

de intieme geschriften van dagboekgigant Henri-Frédéric Amiel,

"Het bewustzijn van zijn falen waardoor Amiel voortdurend gekweld werd kwam doordat het hem niet gegeven was in te zien wat voor een man hij was. Hij schrok terug voor de laatste stap naar een volledig bewust accepteren van zichzelf. In diepste wezen schaamde hij zich heimelijk voor de gevoeligheid die hem maakte tot wie hij was, omdat hij uiteindelijk niet wist wat hij ermee aan moest; met andere woorden zijn intellect stond het hem niet toe ooit helemaal zeker te zijn van zijn gevoelens. Toch is er bijna niemand gezegend geweest met een ontvankelijker natuur dan hij en hoewel hij een daarmee corresponderende overkoepelende creativiteit ontbrak, is er geen boek ter wereld dat indrukwekkender uitdrukking geeft aan een Keatsiaans talent dan zijn Journal Intime. De enige eigenschap die hem ontbrak was het vermogen tevreden te zijn te midden van zijn twijfels. Maar zijn hubris ‘neeg naar de kant der deugd’. Hij was, als dat tenminste mogelijk is, een te nederig mens, te bedeesd voor zijn grote gaven, te makkelijk geïmponeerd door extravertere geesten. Maar als hij anders was geweest hadden wij het waarschijnlijk moeten stellen zonder een erfenis als zijn Journal Intime."

en zeer veel D.H. Lawrence uiteraard, die zijn grote literaire voorbeeld vormt.

"Bij het beoordelen van het belang van iemands individuele bijdrage moet niet alleen gekeken worden naar wat hij er zelf mee bereikt heeft, maar ook naar de potentiële invloed ervan op de volgende generatie. Ik denk dat wij, als we ons dit realiseren, bijvoorbeeld het werk van Lawrence meer op zijn juiste waarde zullen inschatten. Zijn gepassioneerde oppositie tegen het intellectualisme vormde zijn grote wapenfeit. Hij maakte ons duidelijk – en dat is de kracht van zijn nalatenschap – dat het noodzakelijk is een evenwicht te creëren tussen het intellect en het bloed."

Hij bewondert met name de vanzelfsprekende manier waarop Lawrence met de vleselijke genegenheid omgaat die het lichaam vraagt. Dat punt is extra schrijnend nu Soutar zelf immobiel is geworden.

"Ik weet iets van afhankelijkheid, maar heel weinig van liefde; en niets is makkelijker dan het creëren van metafysica die je eigen feilbaarheid ondersteunt. De voortdurende kwellingen van het vlees doen ons van het puur bespiegelende vlak afdalen tot onze medemens. Wat is het makkelijk hem lief te hebben in metafysische sferen, en wat moeilijk een waardig erfgenaam te zijn van die edelmoedigheid van de mens die slechts wordt aangetroffen wanneer genegenheid tot een spontane reactie is geworden."

Hoewel hij op handen gedragen wordt, twijfelt de dichter, geremd door zijn burgerlijke inbedding, aan zijn vermogen zichzelf open te stellen voor de anderen. Soutar vindt dat een van de zwaarste zonden tegen het leven: een gebrek aan ontvankelijkheid.

"Ik denk dat zelfs mijn grootste vijand niet zou zeggen dat ik ‘koud’ van aard ben, maar toch heb ik nooit een grote affectie voor iemand gekoesterd. Misschien heeft liefde een bepaalde hoeveelheid uiterlijk vertoon nodig om haar in leven te houden, maar er bestaat geen ingetogener gezin dan het onze. Toch kon die diepe affectie waarvan ik droom wel eens een romantische illusie zijn. Hoe dan ook, ons gezinsleven is altijd heel aangenaam geweest, geschraagd als het werd door de stille aanvaarding van onze onderlinge, afhankelijkheid."

Dichten
Vanzelfsprekend laat Soutar ook zijn gedachten gaan over het eigen poëtische oeuvre. Hij acht negative capability de voornaamste eigenschap van een dichter. Het begrip werd ontwikkeld door Keats en slaat op de ontvankelijkheid voor de onzekerheden en raadsels van het bestaan zonder de aandrang te hebben die onmiddellijk door de rede te verklaren.

Soutars werk werd in zijn tijd hooggeprezen, al bleef hij wat in de schaduw hangen van Hugh McDiarmid, de leidende figuur van de zogenaamde Scottish Renaissance. Ik weet niet in hoeverre de korte, symboolzwangere verzen in de marge van dit dagboek penneprobeersels zijn dan wel representatief voor de rest van zijn produktie, maar ik vind het doorgaans slap gerijmel. Soutar streeft een klassieke soberheid na die naar eigen zeggen een tegengewicht moest vormen voor zijn romantische oprispingen, en die zal vast moeilijk weer te geven zijn in Nederlandse vertaling.

"Het wekt geen verbazing dat de poëzie van onze tijd lyrisch is, want lyriek is het natuurlijke medium om wisselende stemmingen uit te drukken, en het tijdperk waarin wij leven wordt in humeurigheid door geen ander in de wereldgeschiedenis overtroffen. Omdat we op drijfzand staan, grijpen we naar de vluchtige beelden van de realiteit die zich aan ons voordoen en proberen een soort geloofsfundament te destilleren uit de opeenstapeling van ongrijpbare stukjes waarheid die we her en der aantreffen. Deze eeuwige onbepaaldheid van onze stemming is voor de lyricus voldoende, maar zij biedt ons slechts een onbetrouwbaar inzicht in de realiteit – een keuze uit zijn werk zal dus eenheid tonen, zijn verzameld werk niet."

In zijn vitale poëzie, dat moet je Soutar zeker nageven, valt geen woord over zijn lichamelijk onvermogen.

"De lofzang op de aarde, die als thema in mijn gedichten steeds meer op de voorgrond treedt, is oprecht, maar wanneer ik niet goed oplet zou hij iets dweperigs kunnen krijgen, iets onevenwichtigs door mijn eigen frustraties."

Leven en lijden
Dat de dichter niet vrijelijk over zijn ledematen kan beschikken is, hoe kan het anders, wél een leidmotief in het dagboek. Soutars ingesteldheid, bijna gespeend van zelfmedelijden, dwingt groot respect af. In Dagboek van een stervende staan prachtige observaties van hoe hij plaatsvervangend van de bewegingen van anderen geniet.

"Als in mijn jeugd niet gezegend was geweest met de snelheid van een echte atleet, als ik de vreugde niet gekend had van dansen en springen, niet die uitbundige momenten waarop je alleen door je lichaam af te beulen tot uitputtens toe het besef kunt uiten dat het goed is te leven, dan zou ik nu in de verleiding hebben kunnen komen slechts minachting op te brengen voor de trots die men louter ontleent aan een goede lichamelijke conditie, te sneren op de dagelijkse bewieroking van de bokser, of de voetballer, of de tenniscrack. Maar aangezien ik ook zo trots ben geweest op mijn jeugd, op de overdosis pure spierkracht die je tegen de wind in laat rennen, of een vriend bij zijn kladden doet grijpen om hem naar de grond te trekken – aangezien ik weet wat dit allemaal is blijft jaloezie mij bespaard en hoef ik het lichaam niet te verraden door te ontkennen dat het heerlijk is het leven in je lijf te voelen tintelen. Zelfs nu kan ik het voelen, als een beeld dat met warmte en zonder bitterheid vervuld wordt met het verlangen te rennen."

In Soutars begrensde omgeving, te bed in Perth [foto], krijgen de allergewoonste dingen een afleidende kracht die onder normalere omstandigheden buiten proporties zou lijken.

"Als dus een vluchtige blik op een vogel die neerstrijkt op het gras of de glimp van een vlinder me attent maakte op hun nabijheid, volg ik hun bewegingen een tijdje, alsof het belangrijk zou zijn te weten wat zij gaan doen."

Werkelijk driehonderd bladzijden lang halen Soutars bespiegelingen dit hoge niveau. Een particulier genoegen zijn de dagboekfragmenten waarin Soutar een silhouet snijdt uit de indrukken die hij opdoet van nobele onbekenden die zijn levenspad kruisen. Een rubriek die steevast wordt ingeleid met de woorden 'Een type'.

"Een type. Hij is een lange knokige slungel zonder kleur op zijn gezicht. Hij heeft een basstem en bij een begroeting lijken zijn oogjes priemen die naar buiten schieten alsof zij de handdruk kracht willen bijzetten. Hij heeft een gulle lach die maar voortbuldert en de neiging heeft weg te sterven in een schor geblaf. Hij praat alsof hij iemand iets verkoopt die behoorlijk doof is. Hij praat joviaal over allerlei actuele zaken en komt altijd uit bij zijn eigen baantje. Wanneer hij helemaal opgaat in een filosofische terzijde trapt hij een flink aantal open deuren in en volgt de ene modieuze opmerking op de andere. Hij is een ongekunsteld aardige kerel, maar wanneer hij afscheid heeft genomen rest van hem slechts de echo van wat lawaai en je vergeet hem tot hij terugkomt."

En dan, na een dikke dertien jaar ruggelings dichten en schrijven, moet het onvermijdelijk bergaf gaan. In juli 1943 verslechtert Soutars gezondsheidstoestand dramatisch. Er wordt ook nog eens tuberculose vastgesteld. Soutar komt zijn bed haast niet meer uit. De dichter houdt zich kranig, al merkt hij weinig van de groei naar sereniteit die hij verwachtte nu hij weet dat hij jong zal sterven. Steeds opnieuw kampt hij met pijnscheuten en verstikkingsverschijnselen die hem wijzen op de beperkte tijd die hem nog rest.

"Een elleboogstoot om je eraan te herinneren dat je nog verplichtingen aan het leven hebt."

Soutar begint een nieuw dagboek, speciaal over zijn ziekte: The diary of a dying man, dat ook deel uitmaakt van de eindselectie. Hij leest niet meer, schrijft geen poëzie meer, en beseft dat er niet veel heldere momenten meer zitten aan te komen die hun neerslag op schrift zullen vinden. Desondanks probeert hij zwakheid en angst geen invloed te laten uitoefenen op zijn geest.

"Het leven is geen liefhebbende vader, maar een kracht waarmee we moeten strijden en waaraan we ons moeten aanpassen. Er moet niet te veel nadruk gelegd worden op de omgeving, want de mens kan haar de baas, anders zou hij zich nog steeds de behaarde bast krabben."

Wat een verschil met het bijtende sarcasme, de wanhoopskreten en het zelfbeklag in het Dagboek van een teleurgesteld man van W.N.P. Barbellion. Deze jonge Engelse natuurkundige (1889-1919) heeft nogal wat gemeen met Soutar. Er is de opvallende uiterlijke gelijkenis, en ook Barbellion had een veelbelovend leven in het verschiet dat in de kiem werd gesmoord door een fysiek aftakelingsproces (in zijn geval: multiple sclerose).

Ik las Barbellions dagboek (eveneens vertaald door Harry Oltheten) een kleine tien jaar geleden, wat te lang is om goed te kunnen vergelijken, maar wat me daar nog van bijstaat is -- naast een gelijklopende dosis scherpzinnigheid en gedetailleerde zelfanalyse -- de vaak hautaine en smartelijke toon van Barbellion, die zichzelf onomwonden een miskend genie waande.

Soutar maakt, meer dan Barbellion, algemeen geldende notities. Dagboek van een stervende is daarom niet alleen een aangrijpende, waardige getuigenis van een tragisch leven, maar tevens een humaan document van de eerste orde.

Laat ik tot slot zeggen dat Vorroux het boek in een zeer aantrekkelijk brevierformaat heeft uitgegeven, met een aangename bladspiegel en letter. Haal dit boek in huis, beste mensen.

Ik ga hun fonds verder verkennen, te beginnen met het Laatste dagboek van Barbellion, dat al een tijdje op de wenslijst staat.

(Gebaseerd op notities van 11 september en 31 oktober 2007.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.williamsoutar.com/
> http://en.wikipedia.org/wiki/Scottish_Renaissance

William Soutar, Dagboek van een stervende
310 p.
Uitgeverij Vorroux, 2007
Oorspr. Diaries of a dying man (1954)
Vertaald door Harry Oltheten

____

dinsdag 30 oktober 2007

Stukwerk - Geerten Meijsing

Geerten Meijsing is er de man niet naar her en der gemakkelijke stukkies te schrijven om den brode. Dat maakt dat deze dikke bundel een veel coherentere indruk maakt dan gewoonlijk het geval is bij een keuze uit de verspreide essays. Eerder dan een verzameling mengelwerk kan Stukwerk gelezen worden als het verslag van Meijsings obsessies. Dat verhoogt alleszins het leesplezier. Af en toe overlappen bepaalde teksten elkaar, maar dat stoort niet.

Al staat Geerten Meijsing zelf huiverachtig tegenover de term zelfportret. Zelfportretten, net als portretten, zijn een schilderkunstig genre, zegt hij, geen literair. Ze getuigen van minachtig voor de literaire productie zelf. Meijsing treedt Proust bij wanneer deze de stelling huldigt (tegen Sainte-Beuve in, in zijn gelijknamige essay) dat een boek het product is van een ander ik dan hetwelk zich manifesteert in onze gewoonten, in ons sociale leven, in onze ondeugden. Een goed zelfportret is een stuk retorica, een tekst met een bedoeling, níet de weerspiegeling van "le moi profond".

Geerten Meijsing komt in zijn beschouwend werk naar voren als een onversneden romanticus. De onderwerpen die hij aansnijdt alleen al! Meijsing drukt op het haast religieuze karakter van de literaire scheppingsdaad ('Goddelijke overwegingen'), mijmert over het jonggestorven genie ('Ode aan de onsterfelijkheid'), ziet intense verveling als een soort negatief krachtveld, als de noodzakelijke voorwaarde voor alle sluimerende creativiteit ('Drie verschijningsvormen van verveling'), betreurt dat het hart niet meer is dan een mechanische pomp ('Hart op de snijtafel') en spuwt de hele Hollandse literaire traditie uit, met Vestdijk, Mulisch en Hermans op kop.

In het prachtige essay 'De wereld lezen', dat gerust naast het lange stuk kan staan waarmee Cyrille Offermans zijn De ontdekking van de wereld mee start, legt Meijsing uit hoe hij aan de literatuur is geraakt en op jeugdige leeftijd de Franse decadenten ontdekt, wier oeuvre doordrenkt is van "sensuele overgave, zinnelijke genietingen en van doodsdrift doordesemde smarten": Pierre Loti, Paul Bourget, Anatole France, Élémir Bourges, Barbey d’Aurevilly, Villiers de l’Isle-Adam, Pétrus Borel, Chateaubriand, Maurice Barrès en Huysmans.

Langzaam begon ik te begrijpen dat mijn reis een zoektocht naar schoonheid, liefde, seks, het avontuur van de hartstochten en de zacht brandende melancholie zou zijn.
In mijn appreciatie speelt natuurlijk mee dat ik veel van zijn voorkeuren deel. Op de overschatte George Gissing na misschien. Met veel van deze auteurs (Proust, Rolfe,...) heb ik zelfs kennis gemaakt via Meijsings vertalingen. Een van mijn all time favorites in de boekenkast is zijn bloemlezing Vijf verhalen uit de Franse Zwarte Romantiek, verschenen in 1975 in de Grote bellettrie-serie van Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Ergens in 'De wereld lezen' staan een paar zinnetjes die essentieel zijn voor een goed begrip van Meijsings literatuuropvatting.
De literatuur is geen vertelkunst, geen op rijm of metrum gezet verslag van een serie gebeurtenissen, niet louter spannend of leerzaam amusement, maar de berekening van het universum der hartstochten, afstanden, verhoudingen en tussenruimten, aantrekking en afstoting, net als het Periodiek Systeem (…)
en dan komt de essentie:
Een roman is een betoog, vaak in de vorm van een bekentenis, zelfverdediging of aanklacht. Voor dat procédé levert de retorica alle instrumenten.
Die these loopt als een rode draad door het boek, vooral in de stukken 'De vreemdeling in mijzelf', 'De voertaal van het denken' en 'Affectenleer': elke roman behoort tot het genre van het lange betoog, gemengd met wat poëzie en een vleugje tragedie. Taal kun je niet passend op de werkelijkheid leggen, wat die werkelijheid ook moge zijn. Taal heeft altijd een bedoeling, is retorisch.

Meijsing probeert aan te tonen dat kunstvormen en retorica (de regels voor de kunst) een cruciale rol spelen in de bewijsvorming van om het even welke theorie en relativeert daarmee de verworvenheden van de exacte wetenschap.
Mijn punt is dat het futiel is om wetenschap gelijk te stellen met aanschouwelijke bewijsvoering.
Meijsing ziet de geschiedenis van de filosofie en de kennisverwerving als een proces dat loopt van het antieke orakel, over de raadsels (paradoxen) van de Griekse filosofen, de agonistische traditie en de dialectica, om ten slotte uit te monden in de retorica.

Taal, indien gehanteerd door een schrijver die zijn vak kent, is erop berekend zieltjes te winnen, zegt hij. Daarvoor kunnen ingezet worden: panache, humor, een ferm notenapparaat en allerlei stilistische hulpmiddelen.

Ik ben het met hem eens dat overredingskracht en het verwerven van macht in een bepaald milieu belangrijke factoren zijn in de strijd om de waarheid (enfin...), maar de Reader's Digest-achtige manier waarop Meijsing bewijsjes sprokkelt uit de hedendaagse wetenschap staat me tegen. Bijvoorbeeld waar hij de moderne natuurkunde koppelt aan Plato's vormenleer.

Veel interessanter en erudieter is het stuk over die zogenaamde affectenleer, waar ik nog nooit van had gehoord. Ook muziek schijnt immers schatplichtig te zijn aan de retorica: de overredingstechnieken van het proza werden mettertijd de affectieve middelen van de poëzie en de muziek.
De affectenleer volgde de cartesiaanse opvatting dat de hartstochten afzonderlijke, classificeerbare gemoedsbewegingen zijn, uit te drukken met afzonderlijke, classificeerbare stijlmiddelen. De dichter en de musicus werden beoordeeld naar eenzelfde retorisch criterium, namelijk de manier waarop zij de affecten konden weergeven.
En ook hier weer prijst Meijsing de retorica als de maat van alle dingen.
De retorica levert niet alleen de regels voor het goede spreken, maar is tegelijk, al vanaf de sofisten, maar in meer herkenbare mate bij Cicero en Quintilianus, een handleiding tot de opvoeding, en vandaar tot een set van gedragsregels, een open levenshouding, waarin plaats is voor stem en tegenstem, en waarin je de eigen opvattingen ter discussie stelt."
Op het stuk 'Het standaardmodel' na, een handleiding bij en apologie van zijn tegendraadse boek De ongeschreven leer -- waarin hij Plato's staatstheorieën desacreert, hem van plagiaat beschuldigt en oppert dat Socrates alleen maar een constructie was van Plato -- ontplooit Meijsing al bij al weinig oorspronkelijke stellingen.

Daarom vind ik wat hij schrijft geen essays in de strikte zin van het woord. Ze ontberen het zoekende, het tastende van het genre. Wat hij meestal doet is op prettig badinerende toon een paar lemma's uit de encyclopedie aan elkaar rijgen. Als Meijsing bijvoorbeeld over de retorica komt te spreken vertelt hij wat Cicero, Aristoteles, Quintilianus en Plutarchus over de materie te melden hadden, maar weinig meer. Ik mis soms richting, een conclusie, een fikse uitleiding.

Misschien moeten we Stukwerk dan toch zien als een soort 'Brieven aan een jonge romancier'. Alle aspecten van de schrijversstiel komen aan bod: de zelfdiscipline, de rol van de verbeelding, het gebedel om geld en de eeuwige discussie hoe literatuur zich verhoudt tot de werkelijkheid. En niet te vergeten: de voorspelbare vragenrondes ('Waarom schrijft u?') op literaire avonden. Dan houdt Meijsing een quote van zijn geliefde Pitigrilli achter de hand.
‘Eerst deed ik het voor mijn plezier en omdat ik het goed kan. Toen deed ik het voor anderen, omdat die daar kennelijk ook plezier aan beleefden. Zodra ik dat doorhad, deed ik het voor geld.’
Good fun dus, dit boek, voor wie door de vingers ziet dat de auteur vasthoudt aan romantische cliché's. Daaronder valt trouwens ook: de verheerlijking van het beloofde land Italië, waar Meijsing over schrijft in 'Grand Tour', een stuk dat eerder werd opgenomen in de even plezierige Italiaanse themabundel Stucwerk.
Soms maak ik nog een Petit Tour naar Nederland.
Heel goed gelukt ook, helemaal op het einde, is het 'In memoriam' dat Meijsing voor zichzelf uitspreekt, bij monde van het personage Erik Provenier (uit Tussen mes en keel en Dood meisje).

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Geerten Meijsing, Stukwerk : enigszins filosofische essays
318 p.
Uitgeverij Balans, 2006
____

maandag 29 oktober 2007

De regen verandert niets aan de begeerte - Véronique Olmi

Het omslagbeeld roept herinneringen op aan de schandaalroman Het seksuele leven van Catherine M., maar schrijfster Véronique Olmi bezit jammer genoeg niet de analytische kwaliteiten van Catherine Millet.

Haar boekje doet zich voor als een fabel over begeerte, schaamte en medeplichtigheid, maar in feite is het niet veel meer dan de wensdroom van een auteur die in sjablonen denkt.

De regen verandert niets aan de begeerte is bovendien zo hartsgrondig Frans dat het bijna een parodie lijkt.

1. Het boekje heeft een karig aantal pagina's met een ruime bladspiegel, zodat het ongetwijfeld in aanmerking komt voor de eretitel 'kostbaar literair kleinood'.

2. Het verhaal speelt in Parijs. Dat moet. Alle Franse boeken spelen in Parijs. Nooit eens een keer in Limoges, Charlesvilles-Mézières of Epinal. Neen, Parijs.

3. De liefde staat uiteraard centraal. Om precies te zijn: de nagenoeg autistische liefde tussen man en vrouw. Pardon: tussen mínnaar en vrouw. Hun overspelige relatie is als één grote luchtbel die de buitenwereld uitsluit.

4. Naar adem happende zinnen, vaak kommaloos, met veel herhalingen en witregels, moeten poëzie suggereren.

"En ze vroeg hem of hij kon, of hij niet te veel pijn aan zijn voet had om naar de Jardin du Luxembourg te lopen. Nu. Want zij zou nu toch niet eten. Want zij was niet meer gewend om te lunchen. Maar hij had misschien honger? Of pijn?
Hij antwoordde van Nee.
Dat zei hij. Nee. Non. Zijn hoofd iets achterover, zijn ogen en mond rond, gelijktijdig rond, en zijn haarlok viel, heel recht, heel dun, op zijn wang.

Hij zei Nee.

En toen begon het."


5. Alle cliché's zijn aanwezig: stuifregen, uitgelopen mascara, verfomfaaide beddenlakens, electriciteit in de lucht, een haarlok om de vinger gewonden.

6. En bakken wufte erotiek, met af en toe een stout vierletterwoord; zoveel dat je denkt: 'Zo kan-ie wel weer, Véronique.'

"Ze hield haar pas in. Ze zou nooit naakt kunnen zijn tegenover hem. Naakt zijn tegen hem aan. Op hem. In hem. Naast hem. Naakt. Ze zou haar uitstekende heupen haar minuscule borsten niet op een man kunnen loslaten ze zou zijn liefkozingen niet kunnen ontvangen als een uiterste gunst dat zou ze niet kunnen."

7. Keurige voorspelbaarheid. Olmi splitst haar vertelling op in deel I, II en III, en je kunt na een bladzij of acht al ruiken waar het zal op uitdraaien.

Kijk, slechte schrijvers bezondigen zich aan twee dingen: ze worden wijdlopig over banaliteiten, wanneer het dus beknopt moet, of ze springen vlotjes over de plaatsen heen waar ze in feite de diepte in moeten.

Véronique Olmi doet allebei. Ze maakt een dikke honderd bladzijden pas op de plaats. De regen verandert niets aan de begeerte is één grote catalogus van geografisch nauwkeurig beschreven tederheden. Op zich niets verkeerds mee, maar haar novelle blijft daarin steken. De schrijfster probeert een (wat mij betreft gelegitimeerde) wensdroom zolang vast te houden dat hij kitch wordt.

En wat erger is: die wensdroom is een flagrante gemeenplaats. Eerbare vrouw wordt genomen door een primitieve mystery guest.

Ik had een vrouw van middelbare leeftijd meer horizon toegedicht.

> lees een fragment van dit boek op Prins van Denemarken

Véronique Olmi, De regen verandert niets aan de begeerte
126 p.
De Bezige Bij, 2006
Oorspr. La pluie ne change rien au désir (2005)
Vertaald door Truus Boot

____

zondag 28 oktober 2007

Et Dieu créa... Sigrid Spruyt

Afgelopen vrijdag nam nieuwsanker Sigrid Spruyt na zeventien jaar afscheid van het televisiescherm, omwille van een aanhoudende schminkallergie. Ze blijft wel werken op de nieuwsredactie.

Zucht.



Ik herinner me een enquête waarbij het weekblad Dag Allemaal gewone Amerikanen de Vlaamse nieuwslezers liet evalueren. Een mooie stem had Sigrid, vonden ze, maar ook de 'uitstraling van een rouwende Spaanse weduwe'.

'Volmaakt Nederlands' had ook nog gekund, als die Amerikanen de taal hadden verstaan.

> haar televisiecarrière op vrtnieuws.net
____

zaterdag 27 oktober 2007

Manifestaties van de intellectueel - Edward W. Said

Mensen die niet beter weten noemen wij wel eens een intellectueel. Vanwege dat verwoede lezen.

Dan ben ik een ogenblikje gevleid uiteraard, tót ik mezelf eraan herinner hoe weinig ik onthoud van mijn lectuur, hoe moeilijk ik synthetiseer en hoe makkelijk ik naar mijn smaak nog altijd om de tuin te leiden ben.

Ik ben het type dat over alles wel een beetje kan meepraten, maar van niets echt goed op de hoogte is. Dat geeft evengoed een leeg gevoel van binnen, van tijd tot tijd.

Ik heb ook beslist een ambitieuzere definitie van hoe een intellectueel er hoort uit te zien. Een intellectueel...

1. is een specialist in zijn vakdomein

2. is daarnaast een hartstochtelijke generalist met een niet aflatende nieuwsgierigheid naar politiek, wetenschap, filosofie, cultuur en geschiedenis; is tevens behept met een gezonde twijfelzucht

3. zoekt het overzicht; streeft een coherent wereldbeeld na; probeert -- tegen beter weten in -- de werkelijkheid in zijn totaliteit te begrijpen

4. is interdisciplinair, een bruggenbouwer

5. streeft via analyse naar synthese

6. wil een zo groot mogelijk publiek bereiken

7. bekleedt een verantwoordelijke functie, d.i. een maatschappelijke positie met concrete doelstellingen waarop men hem kan afrekenen

8. bezit een zeer grondige talenkennis (uiteraard Duits, Frans en Engels, maar het liefst ook kennis van een taal die zeer ver afstaat van zijn eigen taal)

9. is niet radicaal, maar integendeel bekommerd om het geluk van zoveel mogelijk uiteenlopende mensen en beschouwt het hier en nu als het hoogste goed

10. maakt zich bij voorkeur los van het milieu waarin hij is opgegroeid; beweegt zich met gemak in verschillende milieus; neemt the best of both mee in zijn bagage

Ik geef toe: een lijstje dat even pretentieus oogt als de bombastische functievereisten van de jobaanbiedingen in de krant. Ik schets hier dan ook een niet te verwezenlijken ideaalbeeld. Dromen mag altijd.

Manifestaties van de intellectueel las ik in hoofdzaak om die definitie uit te breiden of scherp te stellen met behulp van zinnetjes die Edward W. Said mij aanbiedt.

Dat is natuurlijk een oneigenlijk gebruik van de tekst die de Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper en activist in 1993 uitsprak voor de BBC-radio. Maar hij noopt mij er wel toe. Ik vind dat Said in deze 140 bladzijden al te weinig het theoretische pad verlaat. Dat maakt zijn essay tot een veilig, steriel produkt. Er staan vele aanzetjes in van voorbeelden, maar ik had die graag beter uitgewerkt gezien. Plaatsgebrek verhinderde Said dat te doen. Daarom wil ik het er ook niet over hebben.

Wat ik van Said wel geleerd heb is een veel inhoudelijker definitie op te bouwen van wat intellectuele activiteiten behelzen.

a. Intellectuelen hebben tot taak zich te beijveren voor het slechten van stereotypen en reductieve categorieën die het menselijk denken en de menselijke verstandhouding beperken.

b. Intellectuelen onderscheiden zich van specialisten (1) door zich niet in te zetten voor specifieke belangen (commercieel winstbejag, sektarisme, klassebelangen, politieke motieven) en (2) door een taal te hanteren die niet specialistisch is, d.i. bedoeld om met andere leden uit diezelfde beroepsgroep te communiceren. Intellectuele arbeid gaat eerst en vooral om het doorprikken van holle frasen.

c. Intellectuelen nemen het bijna per definitie op voor minderheden en verdrukte groepen. Ze zoeken steeds de discussie op. Ze kammen alternatieve bronnen uit, spitten ondergeschoffelde documenten op, doen vergeten geschiedenissen herleven.

d. Intellectuelen kunnen via hun werk een nationale gemeenschap een sterker collectief identiteitsbesef bijbrengen, in extreme gevallen zelfs het 'lijden van een volk' symboliseren. Wat nog iets anders is dan patriottisme aanwakkeren.

e. Intellectuelen moeten zich manifesteren, hetzij door te spreken, te schrijven, te doceren of op televisie te verschijnen. Een intellectueel kan nooit samenvallen met een anonieme ambtenaar of angstvallige bureaucraat.

f. Intellectuelen dienen te weerstaan aan de druk van maatschappelijke autoriteiten zoals de media, de overheid en grote bedrijven.

g. Intellectuelen moeten hun ideeën expliciteren. Cf. het woord van Virginia Woolf:

"Je kunt alleen laten zien hoe je zelf bent gekomen tot de mening die je huldigt."

h. Intellectuelen moeten in eer en geweten een gezond evenwicht zien te vinden tussen loyaliteit aan de eigen natie en etnische of religieuze gemeenschap enerzijds en kritische afstandelijkheid anderzijds.

Dat laatste punt is veruit het boeiendste waar Said tijdens zijn lezingenreeks dieper op ingaat: in hoeverre moet een intellectueel bindingen hebben met de 'echte' wereld? Said pleit dienaangaande voor de liefhebberende intellectueel, de gepassioneerde doch niet geprofessionaliseerde intellectueel.

Deze 'amateur' zal niet lijden aan de kwalen van verregaande specialisatie, hoeft niet door bevoegde autoriteiten bevoegd te worden, zal niet zo makkelijk afdrijven naar macht en gezag en wordt niet vermalen door het lobbywerk van de vrije markteconomie.

Een bevoorrechte rol ziet Said in dat verband weggelegd voor de intellectueel in ballingschap: noch volkomen in harmonie met de nieuwe omgeving, noch bevrijd van het verleden.

Maar zoals gezegd, hoe ronkend al deze kwalificaties er ook bij staan, het blijft mooie theorie. Manifestaties van de intellectueel nodigt de lezer vooral uit kennis te maken met het primaire werk van Saids helden: James Baldwin, Noam Chomsky, Antonio Gramsci, Theodor Adorno, Jean-Paul Sartre en nog tientallen minder bekende namen van intellectuelen uit de Angelsaksische wereld.

Bovendien trekken de hoofdwerken van Said me meer aan, waarin hij het naar verluidt heeft over de ideologische tegenstelling tussen Oost en West en de veralgemenende beeldvorming over de islam: Orientalism en Culture and Imperialism.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren
> http://en.wikipedia.org/wiki/Reith_Lectures

Edward W. Said, Manifestaties van de intellectueel
143 p.
Uitgeverij Atlas, 1995
Oorspr. Representations of the intellectual : the 1993 Reith lectures (1994)
Vertaald door Ardy Stegeman
____

vrijdag 26 oktober 2007

Overal en nergens - Bill Bryson

What's good enough for IJsbrand is good enough for me, dacht ik toen ik me over de sombere cover van Overal en nergens heenzette, en het boek toch uit het bibliotheekrek trok.

Buitenlanders lezen die jouw deel van de wereld bezoeken en beschouwen, is trouwens altijd aangenaam. Niets zo interessant als geconfronteerd te worden met je eigen blinde vlekken.

In dit boek verhaalt een Amerikaan over zijn reizen door Europa in het begin van de jaren negentig, af en toe afgewisseld met flashbacks van eerdere reizen in de jaren zeventig. En wat het extra prettig maakt: de Amerikaan schrijft meestal vleiend over Europa.

"Hier had het landschap de geordende volmaaktheid van een modelspoorwegdecor. Het was allemaal zo groen en zo minutieus gecultiveerd, zo compact, zo netjes, zo innemend, zo… Europees."

Bill Bryson werd geboren in Des Moines, Iowa. Als backpacker trok hij in 1973 naar Engeland, waar hij zijn vrouw ontmoette. Bryson woonde daarna afwisselend in de Verenigde Staten en Engeland, waar hij schreef voor de Engelse kranten. Om een of andere reden heeft hij in zijn Engelse periodes het Europese vasteland nooit echt grondig bezocht en Bryson, inmiddels veertig geworden, besluit dat alsnog recht te zetten.

Een van de eerste Amerikaanse gewoontes waar hij vanaf moet zien te raken is de neiging Europa als één gebied en Europeanen als in wezen één volk te zien.

"Ook al lees je dat het bruto nationaal produkt van Denemarken per hoofd van de bevolking veertig procent hoger ligt dan dat van Groot-Brittannië, de Denen zien er toch niet veertig procent rijker uit dan de Britten, er zit niet veertig procent meer glans op de schoenen die ze dragen en ze rijden niet in auto’s die veertig procent groter zijn."

Verderop bekent hij zelfs nauwelijks het verschil te kunnen zien tussen een Hollander en een Vlaming (wat ik een bijkans ondraaglijke gedachte vind).

De reizen in Overal en nergens hebben zowat een half jaar in beslag genomen en toch, door het geringe aantal bladzijden dat Bryson per trekpleister uittrekt, maakt zijn dikke boek een If it's tuesday, this must be Belgium-achtige indruk.

Ik bedoel dat nu eens niet als een verwijt. Overal en nergens is een rijk boek. Het oogt als het mozaïekbeeld van je televisie -- met voor de verandering allemaal leuke programma's.

Bill Bryson gaat naar Hammerfest om er het Noorderlicht te bekijken, naar Parijs om er naar de 'Mona Lisa' te staren ("net een postzegel die je vanuit een ander gebouw tussen een compacte massa hoofden door zag") en zich te ergeren aan de planologie,

"Ik weet dat baron Haussmann van Parijs een fantastische stad heeft gemaakt om naar te kijken, maar de man had er geen idee van wat een verkeersstroom is."

naar België om er Brussel af te kraken (onder mijn goedkeurend gebrom), de talenkennis van de straatvegers te loven en de toenmalige EEG in twijfel te trekken,

"Als Amerikaan is het wel interessant te zien hoe de rijkste landen van Europa geestdriftig hun souveriniteit overdragen aan een lichaam dat oncontroleerbaar lijkt te zijn en aan niemand verantwoording schuldig is. (…) Ik voor mij besloot een hekel aan de EEG te krijgen toen ik tot de ontdekking kwam dat ze die mooie, hardgekafte, marineblauwe Britse paspoorten uit de roulatie namen om ze te vervangen door slappe rode boekjes die eruitzien als de identiteitspapieren van een Poolse zeeman. Dat is altijd het probleem met grote instellingen. Ze hebben geen stijl."

naar Amsterdam, waar hij zich anno 1990 al vragen stelt bij de hooggeprezen Hollandse verdraagzaamheid, er met goedgemutst sarcasme de lelijkheid bejegent en er zich over verwondert dat elk pand na sluitingstijd hermetisch verzegeld is met ijzeren luiken,

"Wat ter wereld zou nou iemand uit een kantoor van Air Lingus willen stelen – het kleine vliegtuigmodel in de etalage soms?"

naar Kopenhagen, waar hij vruchteloos een monument zoekt ter ere van het grootse verleden van een land dat eens over heel Scandinavië heerste, naar het rijke en tegelijk socialistische Zweden, naar Rome om er de maatschappelijk chaos en de welvarende economie proberen met elkaar in overeenstemming te brengen en moedeloos toe te zien hoe de Italiaanse overheid haar historische erfgoed laat verkommeren én naar Zwitserland waar de alomtegenwoordige saaiheid hem bijna hallucinaties bezorgd.

In tegenstelling met wat bovenstaand overzicht doet vermoeden houdt Bryson werkelijk van Europa en benadert hij ook de mindere kantjes van het Avondland immer met een kerstman-achtig optimisme. Klinkt er een cultuurpessimistische noot, dan een van het vrolijkste soort.

"Vroeger bouwden we beschavingen. Nu bouwen we winkelcentra."

Humor is namelijk het vitale orgaan dat Overal en nergens zo leesbaar houdt, en al bij al tot een buitenbeentje maakt in de reisliteratuur. Bryson is entertaining en to the point, houdt geen voorspelbare cultuurhistorische praatjes, maar geeft simpelweg zijn ogen de kost.

Overal toont hij zich een meesterlijk beschouwer die zijn observaties met sprekend gemak omzet in de perfecte oneliner.

"Denemarken ziet eruit als een bord dat op een harde vloer is gevallen (...)"

De grapdichtheid is duizelingwekkend hoog: op elke bladzijde staat wel iets waarvan je spontaan in de lach schiet. Zelfs van het penibele bezoek aan het communistische, verpauperde Bulgarije weet hij nog een amusante reportage te bakken.

Meestal zijn het de typische reisongemakken die aanleiding geven tot grappen. Vaak lijken de verhalen alleen maar daarover te gaan: gelazer bij het inchecken, smerig voedsel, onvriendelijke bediening, de mottige televisiekanalen in de hotels, enzovoort.

"De stoelen waren ontworpen door een dwerg die wraak wilde nemen op mensen van normale lengte (…)"

"Luister, ik heb telefonisch gereserveerd. Als ik niet met deze bus meekom, schrijf ik een brief aan uw directeur die de rest van deze eeuw een schaduw over uw carrièremogelijkheden zal werpen."

En de onhebbelijkheden van elke nationaliteit uiteraard; Bryson ontdekt weinig nieuws maar pompt de bestaande gemeenplaatsen nieuw bloed in. Dé stijlfiguur van Overal en nergens is de smakelijke retorische overdrijving.

"Wat zijn die vastelanders toch slim met hun etalages. Zelfs die van apotheken zijn zo netjes en schoon en zorgvuldig geordend dat je onwillekeurig begerig naar likdoornpleisters en incontinentie-onderleggers staat te kijken."

Opmerkelijk is hoe weinig Bryson in contact treedt (en wíl treden) met de lokale bevolking. Hij koestert zijn isolement, heeft er een bloedhekel aan de weg te vragen en beschouwt het tot een kluizenaarsgelijke slodderigheid ontaarden als een van de bijkomstige genoegens van het alleen reizen. Zijn enige metgezel is de Thomas Cook European Timetable in zijn rugzak en dikke geschiedkundige monografieën: lectuur bij het bord met zijn avondmaal.

"Ik ben voor iedereen onzichtbaar behalve voor honden en Jehova’s getuigen."

Vreemd, heel vreemd voor iemand die met reisboeken zijn kostje verdient. Maar wel verfrissend na al die wereldreizigers die in hun boeken van de ene interessante ontmoeting in de andere lijken te vallen, en waar de lezer zich algauw een contactarme zombie bij gaat voelen.

Dat Bryson wel degelijk een volbloed reiziger is mag blijken uit zijn herhaaldelijke loftuitingen over zijn modus vivendi. De drang de verleidelijke verscheidenheid van andere landen te ervaren. Het gevoel van vrijheid dat je overvalt in een land waar je met vrijwel alles onbekend bent en alles zo scherpgesteld is en nieuw oogt.

"Plotseling ben je weer vijf jaar. Je kunt niets lezen, je hebt alleen maar het meest rudimentaire idee van hoe de dingen functioneren, je kunt zelfs niet op een veilige manier een straat oversteken zonder je leven in gevaar te brengen."

Ergens en overal is een beetje Zalm voor Corleone (de televisiereeks van Herman van Molle) op papier, maar dan nóg beter. Een boek dat je integraal zou willen citeren.

Ik ga alles lezen van deze Bryson, alles.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Bill Bryson, Overal en nergens : reizen door Europa
287 p.
Uitgeverij Amber, 1992
Oorspr. Neither here nor there (1991)
Vertaald door Jean Schalekamp

____

donderdag 25 oktober 2007

Het mooiste licht is tegenlicht - Michiel Hendryckx

In Het mooiste licht is tegenlicht is een kleine, gevarieerde keuze uit het werk van fotograaf Michiel Hendryckx bijeengebracht.

U kent hem vast. Als u een boek van een onafhankelijke Vlaamse uitgeverij (of betrekkelijk onafhankelijke Vlaamse uitgeverij) in handen houdt met een mooie foto op de voorplaat, dan is de kans groot dat die het werk is van Hendryckx, in samenwerking met vormgever Gert Dooreman.

Covers zijn er nauwelijks opgenomen in dit boek. Schrijvers -en kunstenaarsportretten des te meer. Daar is Hendryckx naar mijn aanvoelen ook het best in.

Hendryckx heeft de priemende blik van Luc Tuymans bijvoorbeeld kundig op de gevoelige plaat vastgelegd. Een prachtig portret van een oude Jef Geeraerts (zonder bril!) tegen een zwarte achtergrond lijkt wel een foto van diens dodenmasker. Er is de klasssieke Brusselmans met al dat haar voor zijn ogen. De groteske close-up van Louis Michel kan makkelijk voor een cartoon doorgaan. De foto van Jan Hoet neemt je direct in voor de man.

Onbedoeld laten deze portretten tegelijk zien hoe klein cultureel Vlaanderen wel niet is. Dat miezerige ons-kent-ons-gevoel.

En over klein Vlaanderen gesproken: Hendryckx vertelt ergens dat de kop van Jan Decleir, overgoten met een fles rode wijn, in 1992 nog voor een regen van klachten zorgde aan het adres van De Standaard Magazine. Ik kan anno 2007 nauwelijks redenen meer verzinnen waarom.

Het koddigst is Geert van Istendael, keurig in de kleren, maar met de wollen slofjes aan zijn voeten die zijn grootmoeder voor hem breit. Een foto die Van Istendael Hendryckx nogal kwalijk nam in illo tempore.

Het boek is zelfs een beetje dun uitgevallen. Jammer dat Hendrickx zijn melancholieke portret van Boudewijn Büch niet heeft geselecteerd.

Voor een goed begrip: Het mooiste licht is tegenlicht is niet louter een portrettengalerij. Integendeel, het boek kan je beschouwen als een overzichtelijke catalogus van wat fotografie nog allemaal vermag.

Van het veelzeggende documentaire beeld (TC Matic in de Parijse nachtclub Folies Bergère in 1985), de "foto als smartlap" (een olifant opgesloten in een enge treinwagon tast met zijn slurf naar buiten), over het verstilde natuurplaatje (kraai pikt een herfstblad op in het Brusselse Warandepark), tot bewust in scène gezette provocatie (een vastgebonden teddybeer met een aantal darts geplant in zijn neus als illustratie bij een artikel over wreedheid).

"Ik ga nooit met een voorbedacht idee op pad. Laat staan dat ik allerlei accessoires meeneem om een foto op te leuken. Het blijft een soort van reportage. Zelfs als ik iets ensceneer, is het altijd met elementen die ik ter plekke vind."

De beelden worden geflankeerd door al even gevarieerde notities van de fotograaf, over het ontstaan van de foto, een zeer minieme technische uitleg of een anekdote.

Bij een plaatje van een piepjonge Kamagurka met dezelfde bolhoed op als zijn grote held Roland Topor tekent Hendryckx aan:

"Kamagurka is een bodemloos vat vol creativiteit. Ik zat ooit naast hem tijdens een signeersessie. Er stond een eindeloze rij kinderen te wachten. Telkens vroeg hij hun naam en tekende dan een originele cartoon, de ene na de andere, stuk voor stuk schitterende vondsten. Aan de lopende band en zonder einde. Gul zoals alleen de besten zijn."

Ook dat Komrij een voorliefde schijnt te hebben voor het vroege werk van The Beatles is een aardig weetje. Voorkennis over de foto van Herr Seele met een nautilusschelp op zijn kale kanis doet je inderdaad scherper kijken. En dat je in de Belgische pers altijd landende vliegtuigen ziet staan bij artikels over nachtlawaai omdat taxiënde toestellen in de buurt van Zaventem moeilijk te fotograferen zijn met al die bewoning op de voorgrond, mag ik graag vernemen.

Toch mocht het voor mij nog een ietsje meer zijn. Dan erger ik me aan Hendryckx' kanttekeningen uit de losse pols, die me te weinig vertellen over het medium. Het worden snel praatjes bij plaatjes. Mager gemijmer.

"Elke foto staat precies in het midden van het voor en het na.
Zolang ik fotografeer, heb ik tweeluiken gemaakt. Studies van het tijdsverloop."


"Fotografie is een oefening in ordenen. De wereld wordt pas leesbaar als we erin slagen de chaos in een keurslijf te wringen."

"De tijd is het vuur waarin wij branden.
Als puber was ik opstandig bij de gedachte dat er geen ontkomen was aan het voortschrijden van de tijd. Ik had het erg moeilijk met het begrip ‘nu’, met elke seconde die wegtikte en nooit meer terugkwam. Misschien ben ik wel fotograaf geworden om de tijd stil te zetten."


Dan doet een Johan de Vos in zijn foto-essays het merkelijk beter. Die maakt van de lezer een betere waarnemer en vertelt wat je zoal uit een foto kan afleiden.

Ik weet van veel foto's ook niet zo zeker of ze een bundeling waard zijn. Ik ken de internationale canon vrij goed -- ik heb jarenlang gulzig in fotoboeken gebladerd -- en Hendryckx' werk haalt het niet bij de grote namen. Bestudeer het oeuvre van Carl De Keyzer, om dicht bij huis te blijven, en vergelijk.

Blijft over: een laagdrempelige, liefdevol getypografeerde gids van een veelzijdig fotograaf. Een gids ook die wat extra redigeerwerk kon gebruiken -- Palladio wordt bijvoorbeeld gespeld met één 'l'.

Wat ik concreet geleerd heb uit dit boek? Dat ik misschien toch werk moet maken van het vage plan een reeks mini-essaytjes te schrijven over een paar willekeurige foto's op Flickr. Je vindt prachtbeelden op die site, maar ook die duizenden technisch volmaakt gefotografeerde nulliteiten fascineren me.

Tweedens: dat ik eens de meerdelige autobiografie van Dirk Bogarde moet lezen. Zijn portret vormt een hoogtepunt in dit boek.

Dat het een ongelooflijk gedoe is om op de site van Manteau iets over een recent boek uit hun fonds te weten te komen. Dat ook, ja.

Daarnaast was het goed om opnieuw herinnerd te worden aan het feit dat fotografie, beter dan andere kunstvormen, erin slaagt oppervlaktes te tonen ("de huid der dingen").

Ten slotte onthoud ik de uitstekende argumentatie waarmee Michiel Hendryckx de puristen, zij die een hekel hebben aan digitale fotografie, een neus zet.

"De fotografie is altijd een subjectief medium geweest, dat keuzes maakt, dat weglaat, dat selecteert. Zonder kiezen is het onmogelijk een verhaal te vertellen. Elke taal bestaat bij de gratie van het weglaten. Het begint al bij de cadrage. Als fotograaf bepaal ik precies wat of wie in beeld komt. Ben ik een leugenaar omdat ik een lantaarnpaal net niet meeneem in mijn beeld?
Vroeger werd in de donkere kamer ook gemanipuleerd. Bij het afdrukken werden delen van het beeld bewust donkerder en lichter gemaakt. Met Photoshop doe ik vandaag niet anders. Ik leg een accent, verhoog het contrast, maak de foto iets leesbaarder."


Dat alles, én het prachtige motto van singer-songwriter Jackson Browne.

"Doctor, my eyes
Tell me what is wrong
Was I unwise to leave them open for so long?"


Mijn absolute favoriet is overigens de foto van Hendryckx als klein jongetje: een oude foto van zichzelf (zo een met een gekarteld randje) die door de oudere Hendryckx opgehouden wordt voor zijn professionele lens. Een mooi kind was-ie, met een ontroerend ontvankelijke blik in zijn ogen.

Ironisch genoeg is dat de enige foto in dit boek die Hendryckx niet zelf heeft gemaakt.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer over fotografie op Achille

Michiel Hendryckx, Het mooiste licht is tegenlicht
100 p.
Uitgeverij Manteau en Standaard Uitgeverij, 2007

____ fotokey

dinsdag 23 oktober 2007

De Perzische paradox - Shervin Nekuee

Het enige wat ik, buiten jaarboekweetjes om, wist over de Iraanse Revolutie had ik uit de weinig bijzondere roman 1979 van Christian Kracht.

Daar moest maar eens verandering in komen. Zeker nu laatst mijn interesse werd gewekt toen ik in Google Earth over Teheran vloog en tot mijn verbazing vaststelde welk een strak gestructureerde miljoenenstad dat is -- heel wat anders dan de veredelde zandbak die Kabul is.

Shervin Nekuee onderzoekt in dit boek hoe in 1979, na een stormachtig jaar van stakingen en massademonstraties Ayatollah Khomeini de dictatuur van de sjah heeft kunnen omverwerpen. Of precieser: hoe hij daarbij de steun heeft kunnen krijgen van alle lagen van de Iraanse bevolking, van communisten tot rechts-liberale intellectuelen.

Waarom vereenzelvigde een massa -- die niet eens streng in de islamitische leer was, maar met ongeloof en bewondering naar de Arabische buurlanden keek waar de religieuze discipline zo nauwgezet het ritme van de dag bepaalde, een massa ook die de moellahs (de priesterklasse van de islam) lang als een soort rare ceremoniebegeleiders beschouwde -- zich ineens met zo'n oude geestelijke?

Nekuee somt een aantal verklaringen op.

1. Die van sociologen, die opperen dat

"een te snelle modernisering en verstedelijking in de jaren zeventig onzekerheden meebrachten voor de kersverse stadsburgers, die zich verscheurd voelden tussen hun plattelandstradities en het moderne grootsteedse leven. Ook wordt gezegd dat de economische welvaart, mede dankzij de oliecrisis in de jaren zeventig en de als gevolg daarvan stijgende prijs van olie -– de belangrijkste inkomensbron van Iran –- een nieuwe middenklasse heeft voortgebracht die zich niet gepresenteerd voelde door de politieke macht die in handen was van de oude elite."

2. Die van politieke wetenschappers, die zeggen dat islamisten in de ruimte zijn gesprongen die ontstaan was doordat de sjah, leider van een bevriende staat van de VS, onder invloed van Jimmy Carter zorgvuldiger moest omspringen met de mensenrechten en zo politieke activisten moest tolereren.

3. De populaire verklaring dat de islamistische oppositie van Khomeini het enige alternatief vormde. De seculaire alternatieven waren door het regime uitgeschakeld. De enige vrije plek buiten staatscontrole om was de moskee.

4. De moed en het charisma van Khomeini, die stond voor een eigenwijsheid die de jongeren sterk aansprak, voor een land dat geen speelbal van Amerika wilde zijn, het Westen niet wilde na-apen. Zijn eenvoud en puurheid maakte grote indruk in een staat die geregeerd werd door een elite die geworteld was in feodale families. Ruhollah Mussavi Khomeini was de enige ayatollah die de sjah durfde uit te dagen en diens westerse houding veroordeelde.

De rest is geschiedenis. Eenmaal aan de macht ontpopte Khomeini zich als een tiran die zich beriep op de islamitische ideologie. In 1980, een jaar na zijn aantreden, viel Saddam Hussein Iran binnen, tuk op de Iraanse olievelden, wat een vloedgolf aan vrijwilligers naar het front lokte, de ‘soldaten van de islam’. De oorlog kwam voor de ayatollah als een geschenk uit de hemel.

"Zolang je een buitenlandse vijand moet bestrijden, ben je je eigen volk niet veel verantwoording schuldig."

In 2004 en 2005 bracht Shervin Nekuee drie bezoeken aan zijn geboorteland om de vier bovenstaande verklaringen te toetsen en op te tuigen met concrete levensverhalen. In De Perzische paradox verhaalt hij van zijn ontmoetingen die hij had met islamisten van het eerste uur, met vrienden die gebleven zijn en met vrouwen die de verandering aan den lijve ervoeren.

"Dit boek kan het beste worden samengevat als een zoektocht naar de emotie van een generatie en de mentaliteit van een volk."

schrijft Nekuee, die op het moment van de Revolutie tien jaar oud was, en op zijn achttiende de Iraanse dienstplicht zou ontvluchten om naar Nederland te komen.

De getuigen in dit boek hebben het inderdaad over het toenmalige gevoel van verwijdering van de eigen ouders en de vervreemding van de dominante denkbeelden in de samenleving. De geschiedenis, zoals die werd weergegeven in boeken, films en toespraken van de sjah, bestond in de jaren zeventig vooral uit verhalen over het glorieuze pre-islamistische koningentijdperk. Alsof Iran niet al veertienhonderd jaar bevolkt was door mensen die trots waren op hun sjiitische islam.

Er was wel zoiets als een seculiere verzetsideologie in Iran, het communisme, maar dat keek neer op de islam en vond alleen maar aftrek in de middenklasse.

Het islamisme werd aangevoeld als veel moderner dan het corrupte, arbitraire en visieloze beleid van de sjah, dat niets meer was dan een slechte kopie van het Westen. Bovendien was deze ideologische basis gemaakt van cement van eigen bodem. De taal en de metaforen waren allemaal bekend.



Nog interessanter zijn de vrouwen die Nekuee aan de tand voelt. Het hielp me dat eeuwige hoofddoekenprobleem beter te begrijpen. De hijab bood en biedt jonge moslima's naar eigen zeggen een bevrijdend alternatief, een derde weg, naast die van een bestaan als aan huis gekluisterde moeder enerzijds en die van westers georiënteerde modepop anderzijds.

De sluier offreert vrouwen de mogelijkheid volop in het publieke domein aanwezig te zijn zonder als lustobject te koop te lopen. In een maatschappij waarin Hollywoodfilms, popmuziek en de modetrends worden beschouwd als middelen om van de derdewereldvolkeren slaafse consumenten te maken van westerse producten, is de sluier een bastion tegen overmatige gerichtheid op consumptie en daarmee een instrument voor geestelijke verrijking.

Bij de Iranezen die het land achter zich hebben gelaten ten slotte, hoor je vooral spreken over het innerlijke niemandsland waarin de eerste generatie-immigrant is belandt, eens in Europa.

"Nooit wennen aan de eenzaamheid van het kerngezin als de invulling van het begrip gezelligheid. Samen op de bank, in stilte lezen als summum van gezinsleven."

Helemaal achteraan belicht Nekuee 'het idee Iran' door de eeuwen heen, het idee dat voor een groot stuk samenvalt met de geschiedenis van Perzië.

De auteur behandelt kort de exodus uit de Siberische hooglanden, de Achaemenidische dynastie in de zesde eeuw voor Christus, de rivaliteit met de even machtige Grieken, de verovering door Alexander de Grote, de dynastie van de Sassaniden van de derde eeuw tot de zevende eeuw en hun strijd met de Romeinen, de bloei van de zoroastrische tweelingleer enzovoort.

Het keerpunt vormt het jaar 636, wanneer de invallende Arabische bedoeïenen het Sassanidische rijk ten val brengen. De Perzen zullen zich moeten staande houden tussen de andere grote beschavingen: de Turkse, de Indiase en de Arabische. Nog twee data van importantie zijn de inval door de Mongoolse ruiters van Dzjengis Khan in 1220 en de verovering honderd jaar later door hun Oezbeekse neven onder leiding van Timor Lenk.

Dat het idee Iran zo lang heeft kunnen standhouden komt volgens Nekuee door (1) de bestaanscontinuïteit van Iran als vast territoriaal gebied, (2) het antieke denken (het grote historisch bewustzijn) mede dankzij (3) het voortbestaan van het Perzisch, dat in de loop der eeuwen nauwelijks veranderd is (hoewel de Arabische letters werden overgenomen), én het feit (4) dat de Perzen hebben gesympathiseerd met de minderheidsstromingen binnen de islamitische leer (de mystieke islam bijvoorbeeld, het soefisme, en de Sji’ia Ali).

De Perzische paradox is een boeiend, veelzijdig boek dat een contragewicht biedt voor de eenzijdige beeldvorming van Iran in de klassieke media, waarin vooral de demonische bombarie van Ahmadinejad de overhand haalt.

Een paar nuchtere feiten zetten een en ander in perspectief. Zo is het aantal universiteitsstudenten vertwintigvoudigd in vergelijking met in de periode onder de sjah. Internet rukt op Iran: na de VS heeft Iran de meeste webloggers ter wereld. En analfabetisme is fors teruggedrongen.

"Afkeer van de Islamitische Republiek, dat is wat een meerderheid van de Iraanse samenleving heden ten dage bindt."

staat er zelfs ergens. Die stelling vraagt weer om een nieuw boek.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Iranian_Revolution
> lees hier [vpro] integraal de inleiding van dit boek [.doc]

Shervin Nekuee, De Perzische paradox : verhalen uit de Islamitische Republiek Iran
209 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
____ persiakey

maandag 22 oktober 2007

Nutteloos

Gisteren was fotograaf Stephan Vanfleteren te gast in NPS Arena, naar aanleiding van zijn exquise fotoboek Belgicum en dito tentoonstelling in Antwerpen. Wat er zo typisch Belgisch was aan deze foto's, vroeg Hans Goedkoop.

De minzame Kortrijkzaan legde dat uit aan de hand van onderstaand beeld.



"Wat me ook nu weer opviel toen ik naar de studio reed," zei Vanfleteren, "is dat je in Nederland helemaal niets vindt in het straatbeeld dat nutteloos is. In Nederland wordt alles wat nutteloos is geworden terstond opgeruimd. In België wordt alleen iets opgeruimd als het in de weg ligt."

Ik knikte en lachte smakelijk.

Overigens moest ik met spijt vaststellen dat Hans Goedkoop veel meer deugt als essayist dan als interviewer of presentator.

> http://www.stephanvanfleteren.com/
> de tentoonstelling Belgicum op vrtnieuws.net
> foto via Simon Menke [flickr]
____fotokey

Een borrel met Barry - Christophe Vekeman

Ik snap voorlopig niet waarom de schrijfsels van Christophe Vekeman -- die mij voor het overige niet onsympathiek is -- in druk mogen verschijnen. Tenminste, afgaande op wat ik van zijn oeuvre reeds achter de kiezen heb. Iedereen kan het was een totaal overbodige remake van wat Amerikaanse schrijvers van hardboiled detectives decennia geleden al veel beter hebben gedaan, en ook Een borrel met Barry is zo tweedehands als wat.

Centraal in deze korte roman staat Sebastiaan Krops, kortweg Seb, een man van middelbare leeftijd en danig op de dool.

Zijn identiteit, zo zag hij plotseling in, was geheel en al opgetrokken uit de bedrieglijke resultaten van keuzes die hij niet eens zelf leek te hebben gemaakt, uit schuld die hij niet had, want het was een ongeval geweest, uit angst voor helemaal niets, uit liefde die hij niet meer voelde.
Krops geeft lessen Creatief Schrijven op een avondschool. Ik zei het al: middelbare leeftijd, op de dool. Met tussenpozen werkt hij zelf aan een roman
zoals veel mensen altijd wel een boek aan het lezen zijn maar het lang niet dagelijks aanraken: als hij er zin in had, als hij de tijd vindt.
Daarbij kan hij niet op veel begrip rekenen van zijn vrouw Martha, die meent dat
het schrijven van een roman gewoon een zaak van volhouden was, iets als het breien van een vele meters lange wollen wimpel (…)
De rek is al lang uit hun huwelijk natuurlijk, en alsof dat nog niet volstaat maakt Vekeman van Krops ook nog eens een alcoholist, een clichématige bovendien: eentje die stiekeme bezoekjes brengt aan de nachtwinkel en de groene J & B-fles verkiest boven Johnny Walker omdat die ongemerkt met leidingwater kan worden gevuld.

Een borrel met Barry wordt op die manier een roman van een stomvervelende middelmatigheid. Het boek doet denken aan bepaalde titels van Giphart, maar dan zonder de grapjes. Bukowski zo u wil, maar dan met een held uit de middenklasse. Géén Bukowski dus.

Een roman verdient alleen het levenslicht als hij iets toevoegt aan het bestaande aanbod, hoe luttel ook. Anno 2005 met zo'n onderwerp komen aandraven, zonder méér bedoel ik, in Vlaanderen bedoel ik, getuigt van hoogmoed of onverschilligheid. Eén schrijver, een uitstekende doch onderschatte schrijver, heeft de afgelopen vijfentwintig jaar deze thematiek en het bijbehorende levensgevoel tot in den treure bezongen en zodoende voor de neus van iedere nieuwe lichting auteurs weggemaaid. Zijn naam: Herman Brusselmans.

Vekeman is niet scherp genoeg, niet precies genoeg. Krops relatie met zijn vrouw is bovendien lamentabel maar ongeloofwaardig eendimensioneel.

De roman wordt niet beter wanneer Vekeman Elisa Delforce opvoert, het wicht waarmee Krops buiten de deur zal neuken. Oók niet wanneer Krops een noodlottig pact smeedt met de al even overspelige Barry, die met Myriam, Martha's zuster, een liefdesverhouding heeft.

Barry en Krops zijn te veel elkaars spiegelbeeld. De relatie tussen die twee levert geen vuurwerk op. Het schema is te simpel.

Wat de kwaliteit van Vekemans proza betreft: dat is verzorgd en functioneel, ja. Maar ik houd eigenlijk niet van dat algemene 'iemand doet ergens iets'-taaltje. Sober is hier vooral: saai. Naar het zich laat aanzien verveelt Vekeman soms ook zichzelf, en dan gooit hij er een enormiteit in om de boel tevergeefs op smaak te brengen, bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over "de lachspiegelvormige rug van de ober".

Een van de topics die Sebastiaan Krops behandelt in zijn schrijfcursus is de beginzin. Die van Een borrel met Barry staat, het moet gezegd, als een huis.
‘Mijn naam is Danny Rosenberg,’ zei Sebastiaan Krops.
Verdomde jammer dat we daarmee het beste hebben gehad.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

* Extra: in december 2005 bond Christophe Vekeman, die zich een 'semi-katholiek' noemt, in De Morgen de strijd aan met professor emeritus Etienne Vermeersch, vrijdenker der vrijdenkers. Ondanks de voorspelbare afloop (Vekeman gaat roemloos ten onder) een lezenswaardig interview.

Christophe Vekeman, Een borrel met Barry
221 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

____

zondag 21 oktober 2007

Every minute without you feels like 60 seconds

spatie
"The little boat gently drifted across the pond exactly the way a bowling ball wouldn't."

"Her hair glistened in the rain like nose hair after a sneeze."

"He was as tall as a six-foot-three-inch tree."

"The red brick wall was the color of a brick-red Crayola crayon."

"The ballerina rose gracefully en pointe and extended one slender leg behind her, like a dog at a fire hydrant."

"She walked into my office like a centipede with 98 missing legs."

> Bad metaphors on mistupid.com
____

Laure Junot, duchesse d’Abrantès

"Laure Junot, duchesse d’Abrantès, née Permon le 6 novembre 1784 à Montpellier et morte le 7 juin 1838 à Paris, est une mémorialiste française. Laure Permon, fille d’un pourvoyeur de vivres pour l’Armée d’Amérique, administrateur en Corse, et de mademoiselle Panoria Comnène se prétendait issue par sa mère d’une branche déchue des empereurs byzantins. Mariée à Junot, un soudard violent et ivrogne qui la bat et qui, devenu fou, finira par se suicider en 1813, elle commença une carrière littéraire pour pallier à ses multiples revers de fortune, et grâce à la collaboration d’un jeune écrivain encore méconnu : Honoré de Balzac."


Quotidiana

Quotidiana is an online anthology of 'classical' essays, from antiquity to the early twentieth century. All essays (258 at the moment) and images are in the public domain.

> http://essays.quotidiana.org/
____

zaterdag 20 oktober 2007

De briefwisseling tussen Frederik Van Eeden en Lodewijk van Deyssel

Neen, ik lees deze briefwisseling niet om aan de weet te komen hoe de verhoudingen tussen Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel lagen, noch om de petites histoires die de geschiedenisboeken over de Tachtigers niet zouden hebben gehaald.

Ik las het boek om de onnavolgbare manier waarop deze heren een dikke honderd jaar geleden formuleerden. Ook voor hun tijd al vreselijk archaïsch. Ik amuseer me ermee. Proef de taal. Zie er de humor van in.

"Als een schijf zelf losgeraakt uit den rein transparanten dag van gisteren kwam je heldere brief op mijn tafel neêr. In alles er van merkte ik de blijdschap, die hij je heeft bezorgd. Dank je voor de lezing. –
Ik geloof weêr een beetje aan ’t schrijven te raken.
Ik zag je bezoek liefst Vrijdag of Dinsdag te gemoet. Zondag komt mijn schoonzuster hier.
Voor ik zelf mij verplaats, wil ik liever nog een paar weken wachten en mij bepalen tot een paar kleine wandelingen hier in de buurt, waarbij ik mij de laatste dagen zeer goed bevind.
Waren alle dagen zoo als gisteren, dan leefde ik in een aardschen hemel, zoo als in ’87-’88 te Houffalize."


luidt een kattebelletje van Lodewijk van Deyssel (eigenlijk Karel Alberdingk Thijm) aan Van Eeden.

De correspondentie tussen het tweetal beslaat in hoofdzaak een tijdperk van veertien jaar, 1888-1902. De inleiders tekenen aan:

"Zij waardeerden elkaar vóór die tijd matig, naderen elkaar dan al corresponderend tot op de grens der vertrouwelijkheid en gaan vriendschappelijk met elkaar en elkaars gezin om als de Thijms zich in Baarn gevestigd hebben, totdat een pennestrijd waarin literatuur en leven onontwarbaar dooreen liggen een eind aan hun omgang maakt."

De bewuste polemische stukken zijn op het einde van het boek opgenomen. Komisch: eerst tientallen royale, vertrouwelijke brieven en dan eensklaps een bitsige woordentwist op het scherp van de snee. Dat is zo leuk aan het lezen van correspondentie: de suggestie die er uitgaat van de hiaten tussen de brieven.

Het is een zelfzuchtige correspondentie geworden. Veel brieven gaan over ziekte en "reconvalescentie", hoewel de epistels waarin Thijm uitdrukkelijk medisch advies vraagt om redenen van kiesheid zijn weggelaten. Hilarisch is Thijms verslag van de zogeheten Kneipp-kuur die hij volgt in een of ander kuuroord.

"Schrijf me eens hoe je zenuwen ’t maken."

Voorts trachten beide heren, die meestal de aanhef "Amice" gebruiken, een goed evenwicht te vinden tussen huiselijk "kalmte-geluk" en manieren om de intensiteit van hun geestesleven te verhogen. Ze doen kond van hun lectuur (Shelley, Lautréamont, Huysmans, Zola, Rousseau, Couperus...) en "expediëren" exemplaren van boeken naar elkaar.

De briefwisseling tussen Frederik Van Eeden en Lodewijk Van Deyssel bevat ook veel preoccupaties met geld, en redaktiebesognes omtrent het tijdschrift De Nieuwe Gids, dat onder meer door Van Eeden gesticht werd, voor het eerst verscheen in 1885 en zich zou ontwikkelen tot de spreekbuis van de literaire Beweging van Tachtig. In de marge valt de naam Kloos vaak, en diens "alcoholiseering".

Van Eeden en vooral Van Deyssel berichten ten slotte over de vorderingen in hun oeuvre én van hun creatieve impasses.

"Amice – uit baloorigheid schrijf ik, want ik ben thuisgebleven van een concert om te werken, maar nu kan ik niet werken. Mijn hoofd is zoo helder, zoo nuchter en expressieloos als een wit ontbijtbordje."

Zoals zo vaak handelen de meest gloedvolle passages over ergernissen. Vooraan treft de lezer een bladzijdenlang vertoog aan over de gebreken van het vrouwenintellekt, waarbij de ene literaire macho niet voor de andere hoeft onder te doen. Het stukje over Thijms afkeer van vliegen in de werkkamer is als ik het goed heb ook opgenomen in de bloemlezing Uit de schrijfcassette van Lodewijk van Deyssel.

Naar het einde toe worden de brieven minder lang. Inhoudelijker, minder geëxalteerd. Logisch: eerst wordt de correspondentie aangewend om elkaar beter te leren kennen, als vitrinekast van intellectuele ideeën, als instrument om de persoonlijkheid te scherpen. Die functie neemt geleidelijk aan af. Op het laatst geldt: aan een half woord genoeg.

Best jammer. Frederik van Eeden bezoekt in die periode Verlaine; Karel Thijm ontmoet Max Elskamp en August Vermeylen. Maar daar komen we nauwelijks iets over te weten.

Dat de vriendschap tussen het duo een doodlopend straatje was omdat hun literatuuropvattingen te zeer uiteenliepen, voelt Karel Thijm reeds aan ergens in het midden van de bundel.

"Zoo als jij in ’t algemeen mijn werk vindt: virtuositeit zonder fond, zoo vind ik het jouwe: streven zonder bereiken."

De brieven zijn doorsneden met relevante passages uit de dagboeken die de auteurs erop na hielden. Soms werpt dat een andere kijk op de situatie. Frederik van Eeden:

"Jouw brieven geven mij altijd de impressie, die ik ook krijg bij de eerste proeven van een fotografisch portret: - heb ik er heusch zoo uitgezien terwijl ik dien fotograaf toelachte?"

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Frederik van Eeden en Lodewijk van Deyssel, De briefwisseling tussen Frederik Van Eeden en Lodewijk Van Deyssel
395 p.
Uitgeverij Tjeenk Willink, 1964
Verzorgd en toegelicht door dr. H.W. van Tricht en Harry M.G. Prick

____ brievenkey vaneedenkey vandeysselkey nedkey 1964key tjeenkwillinkkey

vrijdag 19 oktober 2007

Over televisie - Pierre Bourdieu

Volgens wijlen Pierre Bourdieu (1930-2002) gingen en gaan achter onze televisieprogramma's anonieme, onzichtbare mechanismen schuil die allerlei vormen van censuur met zich meebrengen en die van de televisie een formidabel middel tot handhaving maken van wat hij dan noemt de symbolische orde: "Onzichtbare structuren die een beetje zijn zoals zwaartekracht: je ziet ze niet maar je moet ze wel aanwezig veronderstellen."

Dat klinkt dreigend en is niet zonder belang, aangezien de televisie een soort feitelijk monopolie op de gedachtevorming van een zeer groot deel van de bevolking heeft.

Over televisie bestaat uit een kritiek op de nieuwsmedia en in het bijzonder op de televisie. Pierre Bourdieu richt zijn scherpste pijlen op de journalistiek. Journalistieke producten, zegt hij, zijn veel homogener dan vaak wordt gedacht. De politieke kleur van de kranten (die steeds kleurlozer worden), verhullen dieperliggende overeenkomsten, sterker nog, die concurrentie speelt juist een homogeniserende rol. De volgende mechanismen zijn daar verantwoordelijk voor:

1. De zucht naar exclusiviteit. Grof gezegd interesseren journalisten zich voor het uitzonderlijke, voor wat voor hen uitzonderlijk is. Het zoeken naar exclusiviteit, dat elders, in andere maatschappelijke velden, originaliteit en uniciteit oplevert, leidt hier tot uniformisering en banalisering.

2. Inteelt. Niemand leest zoveel kranten als de journalisten, die trouwens de neiging hebben om te denken dat iedereen alle kranten leest. Op krantenredacties wordt een aanzienlijk deel van de tijd besteed aan praten over andere kranten, en vooral over ‘wat zij hebben en wat wij niet hadden’.

3. De overdosis gemengd nieuws: berichten over softe onderwerpen en omnibus-feiten waar niemand aanstoot neemt, die er niet echt toe doen, die geen tweedracht zaaien, waarover algemene consensus heerst. Bourdieu noemt journalisten goochelaars:

Goochelaars volgen een elementair principe: ze vestigen de aandacht op iets anders dan wat ze aan het doen zijn.

[...]

Gemengd nieuws, schept een politieke leegte, heeft een depolitiserend effect en reduceert het openbare leven tot anekdotes en roddels (op nationale schaal of op wereldschaal, met het leven van de sterren of van koninklijke families). Het richt de aandacht op gebeurtenissen zonder politieke gevolgen, die gedramatiseerd worden om er ‘lessen uit te trekken’ of om ze transformeren tot ‘sociale problemen’.
Wat nu specifiek het medium televisie betreft, "een soort spiegel van Narcissus geworden, een plek waar exhibitionistisch-narcistische behoeften worden bevredigd": ook daar is er de jacht op wat sensationeel is, wat spectaculair is.
Televisie brengt gebeurtenissen in beeld, zet ze in scène, en overdrijft het belang, de ernst en het dramatische, tragische karakter ervan.
Bourdieu neemt de talkshow onder de loupe en beschrijft haarfijn het procedé. Hoe de presentator de spreektijd verdeelt, en ook de spreektrant: respectvol of neerbuigend, aandachtig of ongeduldig. Hoe het hele discussieplan vantevoren is opgesteld.

Hoe mensen tegenovergestelde posities mogen innemen maar dat alleen maar kunnen doen op een voorspelbare manier. Hoe weinig mensen er aan bod komen die geen "professional van het woord zijn" (en in die hoedanigheid vaak volstrekt ongebruikelijke dingen zeggen). Hoe vaak mensen tegenover elkaar worden gezet die helemaal niet met elkaar zouden moeten praten: een astronoom en een astroloog, een chemicus en en alchemist, een godsdienstsocioloog en een sekteleider.

En dan de panels: de samenstelling ervan is werk dat onzichtbaar blijft en waarvan het panel het resultaat is. Mensen worden onevenredig vertegenwoordigd. Je moet als kijker steeds de vraag stellen: wie hebben ze nu níet uitgenodigd?

Dat leidt tot de volgende conclusie:
De prijs die voor televisieoptredens moet worden betaald is een geweldige censuur, een autonomieverlies dat onder andere te maken heeft met het feit dat het onderwerp vastligt, dat de communicatievoorwaarden vastliggen en dat het onder de gegeven tijdsbeperkingen onwaarschijnlijk is dat er werkelijk iets kan worden gezegd.
De kijkcijfers stellen aan de programmamakers de eis van urgentie. Alles moet hapklaar worden opgediend. Of in Bourdieu's terminologie: middels pasklare ideeën.
Beschikt degene die naar mij luistert over de code waarmee hij wat ik zeg kan decoderen? Wanneer je een ‘pasklaar idee’ formuleert, dan is de vraag in één klap van de baan.
Pasklaar noemt men die ideeën die iedereen passen, die gemeengoed zijn, banale, conventionele ideeën; maar het zijn ook ideeën die altijd passen omdat ze aangepast zijn aan de verwachtingen van de ontvanger, zodat het probleem van hun receptie niet aan de orde is. De idées reçues van Flaubert.

Bourdieu definieert vervolgens denken als: het onklaar maken van zulke pasklare ideeën.
Zoiets vergt tijd, je moet een reeks uitspraken ontvouwen die gekoppeld zijn door woorden als ‘dus’, ‘bijgevolg’, ‘echter’, ‘gegeven dat’… Welnu, die ontplooiing van het denkende denken is intrinsiek aan tijd gebonden.
Maar tijd is er niet. Blijft over: clichés. Wat de nieuwsmakers, zeker deze op televisie, met een verpletterende verantwoordelijkheid opzadelt.
Soms heb ik zin om elk woord dat presentatoren gebruiken tegen het licht te houden, omdat ze vaak zo lichtvaardig spreken, zonder ook maar een idee van de ingewikkeldheid en de ernst van datgene waar ze het over hebben en van de verantwoordelijkheid die ze zich op de hals halen door voor duizenden televisiekijkers woorden te gebruiken zonder ze te begrijpen en zonder te begrijpen dat ze ze niet begrijpen. Omdat je met die woorden dingen kunt doen, omdat ze waanvoorstellingen, angsten, fobieën of gewoon valse voorstellingen in het leven roepen.
Veldspelers
Pierre Bourdieu leerde ik kennen doordat Jos Joosten in het boek Onttachtiging de veldtheorie van de Franse socioloog gebruikt om aan te tonen hoe het poëziewereldje in elkaar steekt.

De dienstdoende Wikipedia-redacteur vat dit model als volgt samen. Volgens Bourdieu worden de handelingen van individuen niet volledig bepaald door zoiets abstracts als ‘de maatschappij’, noch bestaat de maatschappij volledig uit de optelsom van de handelingen van individuen, maar is er eerder sprake van een wisselwerking. De samenleving bestaat uit verschillende, elkaar overlappende, velden, zoals de politiek, de wetenschap en de kunst. Binnen deze velden is een voortdurende (deels onbewuste) machtsstrijd gaande tussen de medespelers om de schaarse middelen die binnen dat veld op het spel staan. Binnen elk veld gelden specifieke (weer: deels onbewuste) spelregels waar de deelnemers zich aan moeten houden.

Om in een veld macht en invloed te verwerven hebben mensen kapitaal nodig. Het gaat dan niet alleen om economisch kapitaal zoals geld en onroerend goed, maar ook om cultureel kapitaal (kennis, vaardigheden, opleiding) en om sociaal kapitaal (relaties, netwerken). In elk veld ontwikkelen mensen onbewust een bepaalde habitus, een duurzame manier van waarnemen, denken en handelen, waarmee mensen zich in het veld kunnen handhaven en verder kunnen komen. Mensen die zich al lang in een veld bevinden, bijvoorbeeld sinds hun geboorte, hebben zo een voorsprong op nieuwkomers, omdat de habitus bij hen volledig geïnternaliseerd is.

In Over televisie past Bourdieu eenvoudigweg zijn model toe op de nieuwsmedia.
Een veld is een gestructureerde sociale ruimte, een krachtenveld — binnen die ruimte heb je heersenden en overheersten en gelden constante, permanente ongelijkheidsverhoudingen. Een veld is ook een veld van strijd om verandering of bestendiging van die krachtsverhoudingen. Binnen zo’n universum zet iedereen in zijn concurrentie met anderen de (relatieve) kracht in waarover hij beschikt en die bepalend is voor zijn positie in het veld en bijgevolg voor zijn strategie. Economische concurrentie tussen omroepen of kranten om lezers of kijkers of, zoals dat heet, om het marktaandeel, neemt de concrete gehalte aan een concurrentie tussen journalisten, een concurrentie die zijn eigen specifieke inzetten kent, zoals de scoop, de exclusieve informatie, de reputatie in het veld, enzovoort."
En dan komt het belangrijkste:
Als ik met andere woorden wil weten wat een bepaalde journalist zal zeggen of schrijven, wat hij evident of ondenkbaar, natuurlijk of beneden zijn waardigheid zal vinden, dan moet ik weten welke positie hij in die ruimte inneemt, dat wil zeggen wat de specifieke macht is van het persorgaan waarvoor hij werkt.

[...]

Wat telt, in een veld, dat is het relatieve gewicht: een krant kan volstrekt hetzelfde blijven, geen enkele lezer kwijtraken, geen enkele verandering doorvoeren en toch ingrijpend veranderen doordat het gewicht, de relatieve positie van die krant in de ruimte verandert.
Daar wringt het schoentje. Gewone lezers zijn niet ingevoerd in dat wereldje en moeten de verborgen agenda's zelf maar zien te detecteren. Dat vraagt bergen tijd en vergelijkingswerk. En dan nog.

Een zeer groot minpunt aan dit boekje is het onthutsend gebrek aan praktijkvoorbeelden. Bourdieu heeft het wel over het AFP, de persbureaus, de officiële bronnen (ministeries, politie) waarmee journalisten uit hoofde van hun beroep zeer complexe relaties onderhouden, maar dat is me niet genoeg.

Een casestudie van de actuele situatie met concrete bewijsplaatsen hadden Bourdieu's model incontournable gemaakt. Nu blijft Over televisie steken in de theorie, die niet eens zo vreselijk gestructureerd wordt ontvouwd.

Typisch Frans: tevreden zijn met een blinkende theorie, en nooit terugkoppelen naar de werkelijkheid.

In het laatste kwart doet Bourdieu zijn verhaal zelfs nog eens dunnetjes over in een sociologisch jargon dat theoretische compactheid moet veinzen maar volstrekt niets toevoegt.

Wat ik graag eens zou lezen: een sociologische studie over het sociologenmilieu.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Pierre Bourdieu, Over televisie
100 p.
Uitgeverij Boom, 1998
Oorspr. Sur la télévision (1996)
Vertaald door Rokus Hofstede

____tvkey

Related Posts with Thumbnails