Geerten Meijsing is er de man niet naar her en der gemakkelijke stukkies te schrijven om den brode. Dat maakt dat deze dikke bundel een veel coherentere indruk maakt dan gewoonlijk het geval is bij een keuze uit de verspreide essays. Eerder dan een verzameling mengelwerk kan Stukwerk gelezen worden als het verslag van Meijsings obsessies. Dat verhoogt alleszins het leesplezier. Af en toe overlappen bepaalde teksten elkaar, maar dat stoort niet.
Al staat Geerten Meijsing zelf huiverachtig tegenover de term zelfportret. Zelfportretten, net als portretten, zijn een schilderkunstig genre, zegt hij, geen literair. Ze getuigen van minachtig voor de literaire productie zelf. Meijsing treedt Proust bij wanneer deze de stelling huldigt (tegen Sainte-Beuve in, in zijn gelijknamige essay) dat een boek het product is van een ander ik dan hetwelk zich manifesteert in onze gewoonten, in ons sociale leven, in onze ondeugden. Een goed zelfportret is een stuk retorica, een tekst met een bedoeling, níet de weerspiegeling van "le moi profond".
Geerten Meijsing komt in zijn beschouwend werk naar voren als een onversneden romanticus. De onderwerpen die hij aansnijdt alleen al! Meijsing drukt op het haast religieuze karakter van de literaire scheppingsdaad ('Goddelijke overwegingen'), mijmert over het jonggestorven genie ('Ode aan de onsterfelijkheid'), ziet intense verveling als een soort negatief krachtveld, als de noodzakelijke voorwaarde voor alle sluimerende creativiteit ('Drie verschijningsvormen van verveling'), betreurt dat het hart niet meer is dan een mechanische pomp ('Hart op de snijtafel') en spuwt de hele Hollandse literaire traditie uit, met Vestdijk, Mulisch en Hermans op kop.
In het prachtige essay 'De wereld lezen', dat gerust naast het lange stuk kan staan waarmee Cyrille Offermans zijn De ontdekking van de wereld mee start, legt Meijsing uit hoe hij aan de literatuur is geraakt en op jeugdige leeftijd de Franse decadenten ontdekt, wier oeuvre doordrenkt is van "sensuele overgave, zinnelijke genietingen en van doodsdrift doordesemde smarten": Pierre Loti, Paul Bourget, Anatole France, Élémir Bourges, Barbey d’Aurevilly, Villiers de l’Isle-Adam, Pétrus Borel, Chateaubriand, Maurice Barrès en Huysmans.
Langzaam begon ik te begrijpen dat mijn reis een zoektocht naar schoonheid, liefde, seks, het avontuur van de hartstochten en de zacht brandende melancholie zou zijn.
In mijn appreciatie speelt natuurlijk mee dat ik veel van zijn voorkeuren deel. Op de overschatte
George Gissing na misschien. Met veel van deze auteurs (Proust,
Rolfe,...) heb ik zelfs kennis gemaakt via Meijsings vertalingen. Een van mijn
all time favorites in de boekenkast is zijn bloemlezing
Vijf verhalen uit de Franse Zwarte Romantiek, verschenen in 1975 in de Grote bellettrie-serie van Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Ergens in 'De wereld lezen' staan een paar zinnetjes die essentieel zijn voor een goed begrip van Meijsings literatuuropvatting.
De literatuur is geen vertelkunst, geen op rijm of metrum gezet verslag van een serie gebeurtenissen, niet louter spannend of leerzaam amusement, maar de berekening van het universum der hartstochten, afstanden, verhoudingen en tussenruimten, aantrekking en afstoting, net als het Periodiek Systeem (…)
en dan komt de essentie:
Een roman is een betoog, vaak in de vorm van een bekentenis, zelfverdediging of aanklacht. Voor dat procédé levert de retorica alle instrumenten.
Die these loopt als een rode draad door het boek, vooral in de stukken 'De vreemdeling in mijzelf', 'De voertaal van het denken' en 'Affectenleer': elke roman behoort tot het genre van het lange betoog, gemengd met wat poëzie en een vleugje tragedie. Taal kun je niet passend op de werkelijkheid leggen, wat die werkelijheid ook moge zijn. Taal heeft altijd een bedoeling, is
retorisch.
Meijsing probeert aan te tonen dat kunstvormen en retorica (de regels voor de kunst) een cruciale rol spelen in de bewijsvorming van om het even welke theorie en relativeert daarmee de verworvenheden van de exacte wetenschap.
Mijn punt is dat het futiel is om wetenschap gelijk te stellen met aanschouwelijke bewijsvoering.
Meijsing ziet de geschiedenis van de filosofie en de kennisverwerving als een proces dat loopt van het antieke orakel, over de raadsels (paradoxen) van de Griekse filosofen, de agonistische traditie en de dialectica, om ten slotte uit te monden in de retorica.
Taal, indien gehanteerd door een schrijver die zijn vak kent, is erop berekend zieltjes te winnen, zegt hij. Daarvoor kunnen ingezet worden: panache, humor, een ferm notenapparaat en allerlei stilistische hulpmiddelen.
Ik ben het met hem eens dat overredingskracht en het verwerven van macht in een bepaald milieu belangrijke factoren zijn in de strijd om de waarheid (enfin...), maar de Reader's Digest-achtige manier waarop Meijsing bewijsjes sprokkelt uit de hedendaagse wetenschap staat me tegen. Bijvoorbeeld waar hij de moderne natuurkunde koppelt aan
Plato's vormenleer.
Veel interessanter en erudieter is het stuk over die zogenaamde affectenleer, waar ik nog nooit van had gehoord. Ook muziek schijnt immers schatplichtig te zijn aan de retorica: de overredingstechnieken van het proza werden mettertijd de affectieve middelen van de poëzie en de muziek.
De affectenleer volgde de cartesiaanse opvatting dat de hartstochten afzonderlijke, classificeerbare gemoedsbewegingen zijn, uit te drukken met afzonderlijke, classificeerbare stijlmiddelen. De dichter en de musicus werden beoordeeld naar eenzelfde retorisch criterium, namelijk de manier waarop zij de affecten konden weergeven.
En ook hier weer prijst Meijsing de retorica als de maat van alle dingen.
De retorica levert niet alleen de regels voor het goede spreken, maar is tegelijk, al vanaf de sofisten, maar in meer herkenbare mate bij Cicero en Quintilianus, een handleiding tot de opvoeding, en vandaar tot een set van gedragsregels, een open levenshouding, waarin plaats is voor stem en tegenstem, en waarin je de eigen opvattingen ter discussie stelt."
Op het stuk 'Het standaardmodel' na, een handleiding bij en apologie van zijn tegendraadse boek
De ongeschreven leer -- waarin hij Plato's staatstheorieën desacreert, hem van plagiaat beschuldigt en oppert dat Socrates alleen maar een constructie was van Plato -- ontplooit Meijsing al bij al weinig oorspronkelijke stellingen.
Daarom vind ik wat hij schrijft geen essays in de strikte zin van het woord. Ze ontberen het zoekende, het tastende van het genre. Wat hij meestal doet is op prettig badinerende toon een paar lemma's uit de encyclopedie aan elkaar rijgen. Als Meijsing bijvoorbeeld over de retorica komt te spreken vertelt hij wat Cicero,
Aristoteles, Quintilianus en
Plutarchus over de materie te melden hadden, maar weinig meer. Ik mis soms richting, een conclusie, een fikse uitleiding.
Misschien moeten we
Stukwerk dan toch zien als een soort 'Brieven aan een jonge romancier'. Alle aspecten van de schrijversstiel komen aan bod: de zelfdiscipline, de rol van de verbeelding, het gebedel om geld en de eeuwige discussie hoe literatuur zich verhoudt tot de werkelijkheid. En niet te vergeten: de voorspelbare vragenrondes ('Waarom schrijft u?') op literaire avonden. Dan houdt Meijsing een quote van zijn geliefde
Pitigrilli achter de hand.
‘Eerst deed ik het voor mijn plezier en omdat ik het goed kan. Toen deed ik het voor anderen, omdat die daar kennelijk ook plezier aan beleefden. Zodra ik dat doorhad, deed ik het voor geld.’
Good fun dus, dit boek, voor wie door de vingers ziet dat de auteur vasthoudt aan romantische cliché's. Daaronder valt trouwens ook: de verheerlijking van het beloofde land Italië, waar Meijsing over schrijft in 'Grand Tour', een stuk dat eerder werd opgenomen in de even plezierige Italiaanse themabundel
Stucwerk.
Soms maak ik nog een Petit Tour naar Nederland.
Heel goed gelukt ook, helemaal op het einde, is het 'In memoriam' dat Meijsing voor zichzelf uitspreekt, bij monde van het personage Erik Provenier (uit
Tussen mes en keel en
Dood meisje).
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
Geerten Meijsing, Stukwerk : enigszins filosofische essays
318 p.
Uitgeverij Balans, 2006
____