Het klooster - August Strindberg
Twee toneelstukken uit het hoge Noorden hebben zonder dat ik er erg in had mijn opvattingen over theater mee helpen bepalen: Een poppenhuis van Henrik Ibsen en De vader van August Strindberg. Beiden sober, oerdegelijk tekstdrama met een noodlottige afloop. Ik las de stukken in mijn puberteit, diep onder de indruk, hoewel het nog jaren zou duren voor ik ook een opvoering te zien kreeg. En ach, uit een raar soort loyauteit lees ik af en toe nog iets van de grote Scandinaven.
De wankelmoedige en eeuwig rusteloze August Strindberg spreekt natuurlijk het meest tot de verbeelding van de twee. Strindberg schreef tientallen toneelstukken, waarvan zover ik kan zien nog geen vierde vertaald is in het Nederlands. Wel overgezet zijn de belangrijkste romans en een groot deel van zijn in geestelijke malaise gedrenkte memoires.
Chronologisch vult de wel heel autobiografische 'schets' Het klooster (1902) de leemte op tussen twee bekendere boeken, De biecht van een dwaas (1887) en Inferno (1897). De context is nog maar eens een huwelijksdrama. In 1893 was het tot een officiële breuk gekomen tussen Strindberg en zijn eerste vrouw Siri von Essen, waardoor hij ook het contact met zijn naaste familie en vrienden kwijt raakte. Ook de schrijverscarrière van Strindberg zat in het slop na de publicatie van twee boeken die hem op een proces waren komen te staan. Ontredderd begaf de Zweed zich naar Berlijn, waar hij een bohémienleven leidde te midden van enkele zielsverwanten, waaronder de schilder Edvard Munch.
Van schrijven kwam in Duitsland niet veel terecht, zeker niet toen hij er op een dag de drieëntwintig jaar jongere Oostenrijkse journaliste Frida Uhl ontmoette. Over hun liefdesrelatie en de nieuwe breuk, die Strindberg zou doen vluchten naar Parijs, gaat Het klooster. Over de Parijse jaren, in de literatuur bekend als de Infernocrisis (1894-1897), zou hij later in Inferno berichten.
De openingsscène van Het klooster is prachtig. De berooide schrijver ontwaakt half versuft in een Berlijnse hotelkamer. Hij is naar de stad getrokken ("van alle aardse banden afgesneden") in de hoop met het schrijven van toneelstukken in zijn onderhoud te voorzien. Strindberg heeft last van wanen. Hij is zoals altijd ingeslapen met zijn gezicht van het licht afgewend, met het raam achter zijn hoofdkussen, en nu ligt zijn hoofd ineens aan zijn voeten. Hij probeert zich de gebeurtenissen van de dag voordien voor de geest te halen.
En dan begint hij weer opnieuw tegen de storm van zijn herinneringen op te tornen om weer terug te keren tot zijn uitgangspunt.De schrijver is verliefd geworden in de kunstenaarskroeg het klooster (Strindberg gebruikt geen hoofdletters of aanhalingstekens). Alleen toneelspelers, artiesten, en letterkundigen komen er bijeen ("een eigenaardig konglomeraat van talenten, die op zoek waren naar erkenning, begrip en brood") en het café heeft ook echt iets van een spirituele vluchthaven. Er is een groot portaal, een tapkast als een tabernakel, geschilderde kerkramen en muren versierd met heidense afbeeldingen ter ere van wijn, vriendschap en liefde, en door een optische illusie lijkt het dranklokaal op een eindeloos labyrint. Hier schrijden
de uren voort zonder geteld te worden, de zinnen staan in vuur en vlam, de bronnen der herinnering vloeien en men heeft veel te vertellen dat men vergeten had gewaand.Hier heeft de notoire vrouwenhater gisteren ook zijn schone Weense toneelrecensente ontmoet. Strindberg beschrijft mooi hoe de jonge vrouw de gedachten van de oude schrijver wegvoert. De andere kunne is per definitie onkenbaar in Strindbergs universum, dus ook deze vrouw. Het ene moment stelt ze zich inschikkelijk op en doet ze het gevoel van eigenwaarde van de schrijver opleven. Het andere moment staat ze op haar onafhankelijkheid en voelt de schrijver "zijn rok knellen" als zij het onderwerp van de vrouwenemancipatie aansnijdt. Ze heeft iets sletterigs, akkoord, maar tegelijk trakteert ze hem, waardoor hij woedend is omdat ze hem voor onbemiddeld aanziet. Onder de hartstocht van de schrijver verandert het meisje in een vrouw — zij geeft de eerste kus, wat de man als vernederend ervaart: "de eerste bevestiging niet te geven maar te ontvangen". Het klooster is kortom een korte, melodramatische roman over de snelle gedaanteverwisselingen van de liefde.
Als hij eens een keer nadacht over alle verschillende typen die hij in haar gezien had toen ze elkaar nog maar net kenden, was het hem werkelijk een raadsel hoe ze zoveel verschillende rollen had kunnen spelen. De literaire, onafhankelijke dame met de open mond en de woordenvloed van Madame Staël was spoorloos verdwenen; de veeleisende vrouw van de wereld, en de treurige Sapho, en de fin-de-siècle dame met haar galgeparadoxen en haar schavotkoketterieën waren in geen velden meer te bekennen.De relatie bestaat afwisselend uit bekvechten en tederheid, eendracht (samen sterker) en tirannie (de wederzijds afhankelijkheid waar vooral de man het moeilijk mee heeft). Op de achtergrond werken nog andere factoren in op het tweetal. Zij is katholiek en mag zodoende niet trouwen met een gescheiden man waarvan de ex-vrouw nog in leven is. Er is maar één mogelijkheid om aan dit euvel te ontkomen: op Helgoland te trouwen, waar nog een oude Engelse wet van kracht is. En dan is er nog de vader van het meisje, een regeringsfunktionaris "in het bezit van twaalf ordes", een geletterd man bovendien, die met waardering spreekt over Strindbergs grote rivaal Ibsen (humor!) maar niets kan met het gegeven dat de schrijver geen betrouwbare inkomsten heeft.
Strindbergs grillige, als het ware door grote haast ingegeven proza, geeft het boek veel overtuigingskracht en realisme, vind ik. De tijd, de stijl en wellicht ook de vertaling scheppen een afstand die heel goed werkt. Prachtig sentimentele bladzijden — op Goede Vrijdag plant het meisje berketakken aan het voeteinde van de schrijver en versiert ze de hele rand van zijn bed met bloeiende wilgetakken — worden meteen gecounterd door Strindbergs ontilbare zware kijk op het huwelijk.
Dan speelt namelijk de grote — en behoorlijk vervelende — invloed op van Swedenborg (1688-1772). Swedenborg, zelf altijd vrijgezel gebleven, schreef veel over de liefde. In een boek genaamd De amore conjugali (1768) betoogde hij dat het doel van een huwelijk de voortdurende spirituele verfijning is van beide partijen, een band die tot in het hiernamaals zou blijven duren. Hij beschouwde het huwelijk als het samengaan van wijsheid (de man) en liefde (de vrouw). Strindberg tekent aan:
Het is moeilijk te verklaren hoe onenigheid tussen twee echtgenoten precies ontstaat. Ze houden van elkaar, voelen zich slechts op hun gemak in elkaars gezelschap, zijn het steeds met elkaar eens, kunnen het zonder elkaar niet uithouden, en hun verenigde egoïsme doet hen de vrede steeds bewaren, aangezien niets hen zo kwelt als onderlinge ruzie. Maar toch, er komt ergens een wolkje opzetten, men weet niet waarvandaan, alle verdiensten veranderen in fouten, het mooie wordt lelijk, en als sissende slangen staan ze tegenover elkaar, wensen elkaar naar het andere einde van de wereld, hoewel ze weten dat het gemis zich als een vloedgolf over hen heen stort zodra ze maar voor een ogenblik uit elkaar gaan.En het geluk wórdt bestraft. De schrijver en de toneelrecensente verliezen hun persoonlijkheid en dus hun creatieve motor als gevolg van de assimilerende kracht van de liefde. Na twee maanden huwelijk wordt er al niet meer gelachen en gepraat. Het koppel moet besparen. Hun zolderkamer krijgt de naargeestigheid van een ziekenvertrek. En de schrijver lijdt steeds meer onder zijn afhankelijkheid. Tijdens een verblijf in Londen krijgt hij het benauwd en reist hij af naar het eiland Rügen, in de Oostzee. De relatie verloopt nu per brief. In de krant stelt hij vast dat zijn vrouw, die in radicale Berlijnse kringen anarchistische denkbeelden propageerde, zich nu in de Weense hofkrant oerconservatief toont.
Hier stranden fysiologie en psychologie, en Swedenborg is wellicht de enige, die in zijn Amore Conjugali een oplossing nabij is geweest, maar hij heeft ook van het begin af ingezien dat hier vergelijkingen van hogere graden bij te pas moesten komen, waar de grote massa niets van af weet.
Daarom kunnen twee echtgenoten die van elkaar houden zich tijden lang afvragen waarom ze elkaar haten, dat wil zeggen elkaar ontvluchten hoewel ze elkaar steeds weer opzoeken. Echtgenoten die enigszins op de hoogte zijn van de natuurkunde van Ganot kunnen in ieder geval de vergelijking met het elektriserende vlierpitbolletje te baat nemen, maar wijzer worden ze daar niet van en gelukkiger evenmin.
De liefde vertoont immers alle symptomen van de krankzinnigheid; hallucinaties en het zien van schoonheid waar geen schoonheid is; onverwachte schommelingen tussen de zwartste zwartgalligheid en de meest dartele uitgelatenheid; koppige haatgevoelens, waanvoorstellingen omtrent de werkelijke opvattingen van de ander (dit wordt misverstand genoemd), vervolgingswaanzin, die de een het gevoel geeft of hij steeds door de ander bespioneerd wordt of in een val gelokt die zelfs geslachten aan gifmengsters oproept. Dit alles heeft een diepere oorzaak en het is nu maar de vraag of een dergelijk samenzijn niet tot gevolg heeft dat de boze gedachten van de één al voordat ze voldragen zijn door de ander als zodanig worden opgevat. Nu voelt een mens zich nooit zo beledigd als wanneer zijn meest intieme gedachten door een ander gelezen worden, en dit kan slechts tussen echtgenoten het geval zijn. Ze kunnen wat er zich in het binnenste van hun ziel afspeelt niet voor elkaar verbergen, komen veel te gemakkelijk tot allerlei konklusies en wekken daarmee de indruk elkaar te bespioneren, hetgeen inderdaad ook het geval is. Daarom vrezen ze geen enkele blik zoals die van hun echtgenoot; daarom zijn ze weerloos tegenover elkaar. Ze ontdekken dat ze een rechter aan hun zijde hebben die de kwade begeerten in hun kiem weet te veroordelen; maar voor zijn gedachten is men toch niet wettelijk aansprakelijk. Men bevindt zich hier dus op een niveau dat een traptrede boven dat van het normale leven uitsteekt, waar hogere eisen gesteld worden, en waar men zelfs van een verfijnder geestelijke apparatuur gebruik moet maken. Dat is dan ook de reden waarom de christelijke kerk het huwelijk tot een sakrament heeft gemaakt, en het als een louterend kolenvuur heeft beschouwd en geenszins als een lusthof. En ook de verklaring van Swedenborg wijst in die richting.
De echtgenoten zijn het met elkaar eens, maar ze mogen het niet eens zijn, en als straf zullen ze de doornen voelen wanneer ze rozen willen plukken. En omnia vincit amor zegt dat de macht der liefde zo grenzeloos is, dat de wereldorde in gevaar zou raken wanneer men zijn liefde de vrije teugel liet. Het is een misdaad gelukkig te zijn, daarom wordt het geluk gestraft.

Niets zo vermakelijk om over te lezen dan een laat-negentiende-eeuwse gekwelde held. Zoals steeds schildert Strindberg zichzelf af zonder mededogen. De schrijver uit Het klooster lijdt aan geheugenverlies en gewetenswroeging, krijgt "plotselinge aanvechtingen", gelooft in telepathie en geesten, ziet spiedende ogen, geeft zich over aan twijfelachtige speculatieve scheikunde en meent oprecht dat "een Onzichtbare" wrok koestert tegen zijn persoontje. Hij voelt zich tot op zekere hoogte niet verantwoordelijk voor zijn handelingen, en het leven is weinig meer dan "een oneindige reeks tentamina, en een enkele mislukking kan al zijn voorafgaande suksessen te niet doen." De schrijver snakt naar orde, maar vindt niemand thuis.
Zoals hij daar lag in zijn eenzaamheid deed hij zijn uiterste best enige samenhang te ontdekken in alle verwarde gebeurtenissen, maar dit bleek vergeefse moeite te zijn. Wat een struikgewas was de mensenziel niet! Wie kon daar nu uit wijs worden! Van haat naar minachting, via hoogachting en bewondering, en dan weer terug, met een sprong opzij en dan nog twee naar voren. Goed en kwaad, verhevenheid en laag-bij-de-grondsheid, trouweloosheid en eeuwige liefde in één adem, kussen en slagen, beledigende verwijten en grenzeloze bewondering.Wanneer het boek op zijn einde loopt, komt de schrijver in een religieuze crisis terecht. Hij voelt zich langzaam wegzinken in zijn milieu, "waar alles om de materie draaide, en waar het dierlijke onverholen op de voorgrond trad".
Zijn inzicht in de mensenziel had hem gebracht tot één van zijn weinige stelregels: nooit afrekenen, nooit teruggaan; maar de kluwen verder opwinden. En toen ze tijdens een van hun eerste ontmoetingen wilde herinneren aan iets wat hij een vorige keer gezegd had, viel hij haar in de rede met de woorden: niet teruggaan, wind de kluwen maar verder op! Men praat toch al zo veel, en bijna alles wordt geïmproviseerd. Ik heb geen meningen, alleen maar impromptu’s en het leven zou wel erg eentonig worden als men dag in dag uit hetzelfde zou denken en zeggen. Vernieuwing hebben we nodig; het hele leven is immers toch maar een gedicht, en het is veel prettiger over het moeras te zweven dan je voeten er in te steken om er tevergeefs naar vaste grond te zoeken.
Daarom wilde hij weg, ver weg, naar licht en zuiverheid, naar vrede, liefde en verzoening. Hij droomde zijn oude droom van het klooster, waarin hij beschermd zou zijn tegen de verzoekingen en het vuil van het leven, en waar hij kon vergeten en vergeten worden. Maar geloof en gehoorzaamheid ontbraken hem.Ook dat deel is autobiografisch. Toen Strindberg het toneelstuk Naar Damascus (1898) had voltooid, probeerde hij daadwerkelijk een toestand van ascese te bereiken en verbleef hij enige tijd in een Belgisch klooster.
Dit idee van een klooster had omstreeks dat tijdstip al dikwijls in de literatuur rondgewaard, en in Berlijn had men zelfs gesproken over het stichten van geseculariseerde kloosters voor intellektuelen, die zich in een tijd waarin industrie en ekonomie zo op de voorgrond gedrongen waren, niet meer thuis konden voelen in de atmosfeer van materialisme, waartoe ze zichzelf aanvankelijk in hun geschriften hadden laten verleiden.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
August Strindberg, Het klooster
159 p.
Uitgeverij De Bezige Bij en uitgeverij Meulenhoff, 1968
Oorspr. Klostret (1902, als deel van een ander boek
en 1966, als zelfstandige uitgave na reconstructie)
Vertaald door M. Törnqvist-Verschuur
____






