woensdag 30 september 2009

Het klooster - August Strindberg

Twee toneelstukken uit het hoge Noorden hebben zonder dat ik er erg in had mijn opvattingen over theater mee helpen bepalen: Een poppenhuis van Henrik Ibsen en De vader van August Strindberg. Beiden sober, oerdegelijk tekstdrama met een noodlottige afloop. Ik las de stukken in mijn puberteit, diep onder de indruk, hoewel het nog jaren zou duren voor ik ook een opvoering te zien kreeg. En ach, uit een raar soort loyauteit lees ik af en toe nog iets van de grote Scandinaven.

De wankelmoedige en eeuwig rusteloze August Strindberg spreekt natuurlijk het meest tot de verbeelding van de twee. Strindberg schreef tientallen toneelstukken, waarvan zover ik kan zien nog geen vierde vertaald is in het Nederlands. Wel overgezet zijn de belangrijkste romans en een groot deel van zijn in geestelijke malaise gedrenkte memoires.

Chronologisch vult de wel heel autobiografische 'schets' Het klooster (1902) de leemte op tussen twee bekendere boeken, De biecht van een dwaas (1887) en Inferno (1897). De context is nog maar eens een huwelijksdrama. In 1893 was het tot een officiële breuk gekomen tussen Strindberg en zijn eerste vrouw Siri von Essen, waardoor hij ook het contact met zijn naaste familie en vrienden kwijt raakte. Ook de schrijverscarrière van Strindberg zat in het slop na de publicatie van twee boeken die hem op een proces waren komen te staan. Ontredderd begaf de Zweed zich naar Berlijn, waar hij een bohémienleven leidde te midden van enkele zielsverwanten, waaronder de schilder Edvard Munch.

Van schrijven kwam in Duitsland niet veel terecht, zeker niet toen hij er op een dag de drieëntwintig jaar jongere Oostenrijkse journaliste Frida Uhl ontmoette. Over hun liefdesrelatie en de nieuwe breuk, die Strindberg zou doen vluchten naar Parijs, gaat Het klooster. Over de Parijse jaren, in de literatuur bekend als de Infernocrisis (1894-1897), zou hij later in Inferno berichten.

De openingsscène van Het klooster is prachtig. De berooide schrijver ontwaakt half versuft in een Berlijnse hotelkamer. Hij is naar de stad getrokken ("van alle aardse banden afgesneden") in de hoop met het schrijven van toneelstukken in zijn onderhoud te voorzien. Strindberg heeft last van wanen. Hij is zoals altijd ingeslapen met zijn gezicht van het licht afgewend, met het raam achter zijn hoofdkussen, en nu ligt zijn hoofd ineens aan zijn voeten. Hij probeert zich de gebeurtenissen van de dag voordien voor de geest te halen.

En dan begint hij weer opnieuw tegen de storm van zijn herinneringen op te tornen om weer terug te keren tot zijn uitgangspunt.
De schrijver is verliefd geworden in de kunstenaarskroeg het klooster (Strindberg gebruikt geen hoofdletters of aanhalingstekens). Alleen toneelspelers, artiesten, en letterkundigen komen er bijeen ("een eigenaardig konglomeraat van talenten, die op zoek waren naar erkenning, begrip en brood") en het café heeft ook echt iets van een spirituele vluchthaven. Er is een groot portaal, een tapkast als een tabernakel, geschilderde kerkramen en muren versierd met heidense afbeeldingen ter ere van wijn, vriendschap en liefde, en door een optische illusie lijkt het dranklokaal op een eindeloos labyrint. Hier schrijden
de uren voort zonder geteld te worden, de zinnen staan in vuur en vlam, de bronnen der herinnering vloeien en men heeft veel te vertellen dat men vergeten had gewaand.
Hier heeft de notoire vrouwenhater gisteren ook zijn schone Weense toneelrecensente ontmoet. Strindberg beschrijft mooi hoe de jonge vrouw de gedachten van de oude schrijver wegvoert. De andere kunne is per definitie onkenbaar in Strindbergs universum, dus ook deze vrouw. Het ene moment stelt ze zich inschikkelijk op en doet ze het gevoel van eigenwaarde van de schrijver opleven. Het andere moment staat ze op haar onafhankelijkheid en voelt de schrijver "zijn rok knellen" als zij het onderwerp van de vrouwenemancipatie aansnijdt. Ze heeft iets sletterigs, akkoord, maar tegelijk trakteert ze hem, waardoor hij woedend is omdat ze hem voor onbemiddeld aanziet. Onder de hartstocht van de schrijver verandert het meisje in een vrouw — zij geeft de eerste kus, wat de man als vernederend ervaart: "de eerste bevestiging niet te geven maar te ontvangen". Het klooster is kortom een korte, melodramatische roman over de snelle gedaanteverwisselingen van de liefde.
Als hij eens een keer nadacht over alle verschillende typen die hij in haar gezien had toen ze elkaar nog maar net kenden, was het hem werkelijk een raadsel hoe ze zoveel verschillende rollen had kunnen spelen. De literaire, onafhankelijke dame met de open mond en de woordenvloed van Madame Staël was spoorloos verdwenen; de veeleisende vrouw van de wereld, en de treurige Sapho, en de fin-de-siècle dame met haar galgeparadoxen en haar schavotkoketterieën waren in geen velden meer te bekennen.
De relatie bestaat afwisselend uit bekvechten en tederheid, eendracht (samen sterker) en tirannie (de wederzijds afhankelijkheid waar vooral de man het moeilijk mee heeft). Op de achtergrond werken nog andere factoren in op het tweetal. Zij is katholiek en mag zodoende niet trouwen met een gescheiden man waarvan de ex-vrouw nog in leven is. Er is maar één mogelijkheid om aan dit euvel te ontkomen: op Helgoland te trouwen, waar nog een oude Engelse wet van kracht is. En dan is er nog de vader van het meisje, een regeringsfunktionaris "in het bezit van twaalf ordes", een geletterd man bovendien, die met waardering spreekt over Strindbergs grote rivaal Ibsen (humor!) maar niets kan met het gegeven dat de schrijver geen betrouwbare inkomsten heeft.

Strindbergs grillige, als het ware door grote haast ingegeven proza, geeft het boek veel overtuigingskracht en realisme, vind ik. De tijd, de stijl en wellicht ook de vertaling scheppen een afstand die heel goed werkt. Prachtig sentimentele bladzijden — op Goede Vrijdag plant het meisje berketakken aan het voeteinde van de schrijver en versiert ze de hele rand van zijn bed met bloeiende wilgetakken — worden meteen gecounterd door Strindbergs ontilbare zware kijk op het huwelijk.

Dan speelt namelijk de grote — en behoorlijk vervelende — invloed op van Swedenborg (1688-1772). Swedenborg, zelf altijd vrijgezel gebleven, schreef veel over de liefde. In een boek genaamd De amore conjugali (1768) betoogde hij dat het doel van een huwelijk de voortdurende spirituele verfijning is van beide partijen, een band die tot in het hiernamaals zou blijven duren. Hij beschouwde het huwelijk als het samengaan van wijsheid (de man) en liefde (de vrouw). Strindberg tekent aan:
Het is moeilijk te verklaren hoe onenigheid tussen twee echtgenoten precies ontstaat. Ze houden van elkaar, voelen zich slechts op hun gemak in elkaars gezelschap, zijn het steeds met elkaar eens, kunnen het zonder elkaar niet uithouden, en hun verenigde egoïsme doet hen de vrede steeds bewaren, aangezien niets hen zo kwelt als onderlinge ruzie. Maar toch, er komt ergens een wolkje opzetten, men weet niet waarvandaan, alle verdiensten veranderen in fouten, het mooie wordt lelijk, en als sissende slangen staan ze tegenover elkaar, wensen elkaar naar het andere einde van de wereld, hoewel ze weten dat het gemis zich als een vloedgolf over hen heen stort zodra ze maar voor een ogenblik uit elkaar gaan.
Hier stranden fysiologie en psychologie, en Swedenborg is wellicht de enige, die in zijn Amore Conjugali een oplossing nabij is geweest, maar hij heeft ook van het begin af ingezien dat hier vergelijkingen van hogere graden bij te pas moesten komen, waar de grote massa niets van af weet.
Daarom kunnen twee echtgenoten die van elkaar houden zich tijden lang afvragen waarom ze elkaar haten, dat wil zeggen elkaar ontvluchten hoewel ze elkaar steeds weer opzoeken. Echtgenoten die enigszins op de hoogte zijn van de natuurkunde van Ganot kunnen in ieder geval de vergelijking met het elektriserende vlierpitbolletje te baat nemen, maar wijzer worden ze daar niet van en gelukkiger evenmin.
De liefde vertoont immers alle symptomen van de krankzinnigheid; hallucinaties en het zien van schoonheid waar geen schoonheid is; onverwachte schommelingen tussen de zwartste zwartgalligheid en de meest dartele uitgelatenheid; koppige haatgevoelens, waanvoorstellingen omtrent de werkelijke opvattingen van de ander (dit wordt misverstand genoemd), vervolgingswaanzin, die de een het gevoel geeft of hij steeds door de ander bespioneerd wordt of in een val gelokt die zelfs geslachten aan gifmengsters oproept. Dit alles heeft een diepere oorzaak en het is nu maar de vraag of een dergelijk samenzijn niet tot gevolg heeft dat de boze gedachten van de één al voordat ze voldragen zijn door de ander als zodanig worden opgevat. Nu voelt een mens zich nooit zo beledigd als wanneer zijn meest intieme gedachten door een ander gelezen worden, en dit kan slechts tussen echtgenoten het geval zijn. Ze kunnen wat er zich in het binnenste van hun ziel afspeelt niet voor elkaar verbergen, komen veel te gemakkelijk tot allerlei konklusies en wekken daarmee de indruk elkaar te bespioneren, hetgeen inderdaad ook het geval is. Daarom vrezen ze geen enkele blik zoals die van hun echtgenoot; daarom zijn ze weerloos tegenover elkaar. Ze ontdekken dat ze een rechter aan hun zijde hebben die de kwade begeerten in hun kiem weet te veroordelen; maar voor zijn gedachten is men toch niet wettelijk aansprakelijk. Men bevindt zich hier dus op een niveau dat een traptrede boven dat van het normale leven uitsteekt, waar hogere eisen gesteld worden, en waar men zelfs van een verfijnder geestelijke apparatuur gebruik moet maken. Dat is dan ook de reden waarom de christelijke kerk het huwelijk tot een sakrament heeft gemaakt, en het als een louterend kolenvuur heeft beschouwd en geenszins als een lusthof. En ook de verklaring van Swedenborg wijst in die richting.
De echtgenoten zijn het met elkaar eens, maar ze mogen het niet eens zijn, en als straf zullen ze de doornen voelen wanneer ze rozen willen plukken. En omnia vincit amor zegt dat de macht der liefde zo grenzeloos is, dat de wereldorde in gevaar zou raken wanneer men zijn liefde de vrije teugel liet. Het is een misdaad gelukkig te zijn, daarom wordt het geluk gestraft.
En het geluk wórdt bestraft. De schrijver en de toneelrecensente verliezen hun persoonlijkheid en dus hun creatieve motor als gevolg van de assimilerende kracht van de liefde. Na twee maanden huwelijk wordt er al niet meer gelachen en gepraat. Het koppel moet besparen. Hun zolderkamer krijgt de naargeestigheid van een ziekenvertrek. En de schrijver lijdt steeds meer onder zijn afhankelijkheid. Tijdens een verblijf in Londen krijgt hij het benauwd en reist hij af naar het eiland Rügen, in de Oostzee. De relatie verloopt nu per brief. In de krant stelt hij vast dat zijn vrouw, die in radicale Berlijnse kringen anarchistische denkbeelden propageerde, zich nu in de Weense hofkrant oerconservatief toont.



Niets zo vermakelijk om over te lezen dan een laat-negentiende-eeuwse gekwelde held. Zoals steeds schildert Strindberg zichzelf af zonder mededogen. De schrijver uit Het klooster lijdt aan geheugenverlies en gewetenswroeging, krijgt "plotselinge aanvechtingen", gelooft in telepathie en geesten, ziet spiedende ogen, geeft zich over aan twijfelachtige speculatieve scheikunde en meent oprecht dat "een Onzichtbare" wrok koestert tegen zijn persoontje. Hij voelt zich tot op zekere hoogte niet verantwoordelijk voor zijn handelingen, en het leven is weinig meer dan "een oneindige reeks tentamina, en een enkele mislukking kan al zijn voorafgaande suksessen te niet doen." De schrijver snakt naar orde, maar vindt niemand thuis.
Zoals hij daar lag in zijn eenzaamheid deed hij zijn uiterste best enige samenhang te ontdekken in alle verwarde gebeurtenissen, maar dit bleek vergeefse moeite te zijn. Wat een struikgewas was de mensenziel niet! Wie kon daar nu uit wijs worden! Van haat naar minachting, via hoogachting en bewondering, en dan weer terug, met een sprong opzij en dan nog twee naar voren. Goed en kwaad, verhevenheid en laag-bij-de-grondsheid, trouweloosheid en eeuwige liefde in één adem, kussen en slagen, beledigende verwijten en grenzeloze bewondering.
Zijn inzicht in de mensenziel had hem gebracht tot één van zijn weinige stelregels: nooit afrekenen, nooit teruggaan; maar de kluwen verder opwinden. En toen ze tijdens een van hun eerste ontmoetingen wilde herinneren aan iets wat hij een vorige keer gezegd had, viel hij haar in de rede met de woorden: niet teruggaan, wind de kluwen maar verder op! Men praat toch al zo veel, en bijna alles wordt geïmproviseerd. Ik heb geen meningen, alleen maar impromptu’s en het leven zou wel erg eentonig worden als men dag in dag uit hetzelfde zou denken en zeggen. Vernieuwing hebben we nodig; het hele leven is immers toch maar een gedicht, en het is veel prettiger over het moeras te zweven dan je voeten er in te steken om er tevergeefs naar vaste grond te zoeken.
Wanneer het boek op zijn einde loopt, komt de schrijver in een religieuze crisis terecht. Hij voelt zich langzaam wegzinken in zijn milieu, "waar alles om de materie draaide, en waar het dierlijke onverholen op de voorgrond trad".
Daarom wilde hij weg, ver weg, naar licht en zuiverheid, naar vrede, liefde en verzoening. Hij droomde zijn oude droom van het klooster, waarin hij beschermd zou zijn tegen de verzoekingen en het vuil van het leven, en waar hij kon vergeten en vergeten worden. Maar geloof en gehoorzaamheid ontbraken hem.
Dit idee van een klooster had omstreeks dat tijdstip al dikwijls in de literatuur rondgewaard, en in Berlijn had men zelfs gesproken over het stichten van geseculariseerde kloosters voor intellektuelen, die zich in een tijd waarin industrie en ekonomie zo op de voorgrond gedrongen waren, niet meer thuis konden voelen in de atmosfeer van materialisme, waartoe ze zichzelf aanvankelijk in hun geschriften hadden laten verleiden.
Ook dat deel is autobiografisch. Toen Strindberg het toneelstuk Naar Damascus (1898) had voltooid, probeerde hij daadwerkelijk een toestand van ascese te bereiken en verbleef hij enige tijd in een Belgisch klooster.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

August Strindberg, Het klooster
159 p.
Uitgeverij De Bezige Bij en uitgeverij Meulenhoff, 1968
Oorspr. Klostret (1902, als deel van een ander boek

en 1966, als zelfstandige uitgave na reconstructie)
Vertaald door M. Törnqvist-Verschuur

____

dinsdag 29 september 2009

Eenzaamheid - May Sarton

"I enjoy solitude the way some people I know enjoy parties. It gives me an enormous sense of being alive." Woorden van Philip Roth die me uit het hart gegrepen zijn. Eenzaamheid is noodzakelijk in mijn leven. Vluchtig sociaal contact en doordeweekse conversatie mijd ik zoveel mogelijk, want maken een schim van me. Alleen in volstrekte afzondering bloei ik helemaal open. Mijn sympathie gaat vaak uit naar schrijvers met eenzelfde behoefte. Leeftijdsverschil doet er dan niet meer toe.

De Amerikaanse schrijfster en dichteres May Sarton (1912-1995) werd geboren in Wondelgem, of all places. Toen ze drie jaar was, emigreerden haar ouders naar Boston. Sarton zou in de jaren vijfig en zestig naam maken als schrijfster van romans waarin steeds explicieter over homoseksualiteit bij vrouwen werd geschreven. Lesbiënnes, en dat was nieuw, werden eens niet voorgesteld als labiele, drankzuchtige types die belust waren op seks. Sarton beschreef haar eigen geaardheid wars van meelijwekkendheid en sentimentaliteit.

Wanneer Sarton Journal of a solitude publiceert in 1973, leeft ze afgezonderd in een klein dorpje in het landelijke New Hampshire. Het dagboek wordt soms een mijlpaal genoemd in het genre van de autobiografie door vrouwen. Het is de schriftelijke neerslag van één jaar zelfonderzoek (15 sept. 1970 - 20 sept. 1971), waarin ze het rooskleurig beeld probeert bij te stellen dat ze had gecreëerd in Plant dreaming deep. In die meer gepolijste memoires had ze verteld over het aankopen en inrichten van een eigen huis, en dat was op nogal wat lezers overgekomen als een luilekkerleventje.

Sarton gaat onder meer na welke rol eenzaamheid in haar leven speelt. De maatschappelijke actualiteit — de opkomst van Black Power, de moord op Kennedy, de dood van De Gaulle, Nixon op tv — is hoogstens achtergrondruis. Sarton, als ze niet op lezingenreeks moet door Amerika, ziet vrijwel geen mens bij haar thuis, op de werkster na, die haar eenzaamheid nauwelijks verbreekt, hoogstens "bezielt". Al vroeg in het boek komt ze tot dezelfde bevinding als Roth. Gezelschap corrumpteert dikwijls net datgene wat de essentie van iemands persoonlijkheid uitmaakt.

Voor het eerst sinds weken ben ik hier alleen, om eindelijk weer de draad van mijn ‘echte’ leven op te pakken. Dat is het vreemde: dat vrienden en zelfs een hartstochtelijke liefde niet mijn echte leven zijn — tenzij ik tijd voor mezelf heb om te onderzoeken en te ontdekken wat er gebeurt of wat er is gebeurd. Zonder die verkwikkende en gekmakende onderbrekingen zou dit leven dor worden. Maar ik proef het pas ten volle als ik hier alleen zit en het huis en ik onze oude gesprekken weer hervatten.
Een eenzaam bestaan houdt echter ook gevaren in. Sarton heeft erge last van moodswings en is altijd bevreesd voor de leegte die het schrijversbestaan met zich meebrengt. Die angst probeert ze te bedwingen door zichzelf een onverbiddellijke routine op te leggen en te zoeken naar praktische karweitjes die moeten gebeuren.
Mensen met een vaste betrekking hebben er soms geen notie van hoe moeilijk het is een dag te ordenen waaraan niet van buitenaf een structuur is opgelegd.
Maar lege dagen zijn nu eenmaal een belangrijke voedingsbodem voor een schrijver. Ideeën moeten vrij kans hebben om in hun eigen tempo op te wellen. Eenzaamheid heeft iets puurs, geeft je de kans het theater van je eigen tegenstrijdigheden te aanschouwen, zonder dat het geluid daarvan gedempt wordt door je huisgenoten en hun besognes. In een van haar oude dagboeken vindt ze een citaat terug van Humphrey Trevelyan. Hij zei dat als een groot kunstenaar creatief wil blijven tot het einde van een lang leven, zoals Goethe, hij waarschijnlijk moet beschikken over twee hoedanigheden.
Enerzijds moet hij een uitzonderlijk scherp bewustzijn van het leven weten te behouden, hij moet nooit voldaan worden over zichzelf, nooit tevreden zijn met het leven, hij moet altijd het onmogelijke willen en wanhopen als hij het niet vindt. De last van het mysterie moet hij dag en nacht met zich mee dragen. Naakte waarheden moeten hem onverbiddelijk aan het wankelen brengen. Dit hemelse ongenoegen, deze labiliteit, deze toestand van innerlijke spanning is de bron van creatieve energie. Vele minder belangrijke dichters kennen het alleen in hun jeugd; sommigen, zelfs de allergrootsten raken het op middelbare leeftijd kwijt. Wordsworth verloor de moed om te wanhopen en daarmee zijn poëtische gedrevenheid. Maar vaker nog zijn de dynamische spanningen zo sterk dat ze de kunstenaar vernietigen voordat hij tot rijpheid komt.
In de optiek van Sarton moet je niet altijd het evenwicht willen herstellen in tijden van uitzonderlijke spanning of depressie. Soms moet je een periode van depressie gewoon maar doorstaan, voor de inzichten die je zou kunnen opdoen als je je er doorheen weet te slaan, met aandacht voor wat de depressie blootlegt of van je vraagt. Liever je eigen demonen bekampen, dan het gebazel van anderen te moeten uitstaan.
Ik ben gemelijk van aard, vaak moeilijk om mee op te schieten. De dingen die ik niet kan uitstaan, die me doen opstuiven als een kat die een dikke staart opzet, zijn verwaandheid, zelfingenomenheid, de platvloersheid die vaak bovenkomt als iemand zijn mond opendoet. Ik heb een gloeiende hekel aan vulgariteit, aan gebrek aan innerlijke beschaving. Ik heb een hartstochtelijke afkeer van prietpraat. Waarom? Ik denk omdat elke ontmoeting met een ander mens op dit moment een schok voor me is. De prijs is altijd hoog, en ik wil mijn tijd niet verspillen. Buiten zijn is nooit een tijdverspilling. Dat zijn de momenten dat beelden komen bovendrijven en dat ik plannen maak voor mijn werk. Maar het is een tijdverspilling om mensen te ontmoeten die alleen maar een maatschappelijke buitenkant kunnen laten zien. Ik doe mijn uiterste best om de ware persoon te ontdekken, maar als dat onmogelijk is, ben ik verward en chagrijnig. Tijdverspilling is vergif.
Als Sarton zich toch nodeloos somber en gekwetst voelt — bij het lezen van een vernietigende recensie van iemand die haar werk helemaal niet kent en niet in staat is om erin door te dringen met sympathie en begrip, bij het voorlezen van religieuze gedichten voor een publiek dat duidelijk toch niet wil nadenken over God, bij het beantwoorden van een niet te overziene berg post — grijpt ze zoals gezegd terug naar eenvoudige huismiddeltjes om weer tot zichzelf te komen. Sarton heeft het moeilijk met de rol die machines in de samenleving spelen, omdat ze alles heel snel en buiten het natuurlijke levensritme om doen. De schrijfster kent een heilzame waarde toe aan alle dingen die we nog zelf doen en niet haastig gedaan kunnen worden — koken, breien, tuinieren.

Het herinnert me aan een televisiefragment waarin J. Coetzee aan Wim Kayzer vertelt hoe heilzaam een eenvoudige, creatieve verrichting zoals koken kan zijn. Samen met onvoorwaardelijke aandacht voor de mensen in mijn omgeving en fikse lichaamsbeweging in de buitenlucht (meer aandacht voor het lijf, minder voor de geest), is handenarbeid inderdaad de remedie die ook mij door de sombere dagen helpt. Meer dan alle psycho-gebabbel.

Vooral bloemen doen het bij Sarton. Haar dagboek staat vol pagina's met liefdesverklaringen aan bloemen. Asters, cosmea, gentianen, Oostindische kers, papegaaitulpen, kolkwitzia, guldenroede, rudbeckia — voor mij een mooi alibi om Google Afbeeldingen aan het werk te zetten. Binnen vier steriele muren betekenen bloemen voor Sarton tevens het contact met de natuurlijke gang van het leven.
Als ik alleen ben worden de bloemen werkelijk gezien; ik schenk er aandacht aan. Ze worden gevoeld als een levende aanwezigheid. Zonder hen zou ik sterven. Waarom zeg ik dat? Deels omdat ze voor mijn ogen veranderen. Ze leven en sterven in een tijdsspanne van enkele dagen; door hen houd ik voeling met processen, met groei en ook met sterven. Ik laat me drijven op hun levensmomenten.
Journal of a solitude geeft ook inzage in de manier waarop een rijpe vrouw tegen haar ouderdom aankijkt, met name in Amerika, een land dat zo blind de jeugd aanbidt, dat het jonge mensen geen idealen van rijpheid geeft om naar te streven. Voor een vrouw liggen de zaken extra moeilijk. "Als een vrouw negenendertig moet blijven," schrijft Sarton, "houdt ze net zo hard haar eigen groei tegen als wanneer ze een Chinese dame was, honderd jaar geleden, en haar voeten had ingesnoerd." Sarton wil niet op haar rimpels afgerekend worden, en vraagt aandacht voor de Gestalt van de complete mens, zoals vrouwen waardering en liefde kunnen opbrengen voor oude (lelijke) mannen.

Ook in relaties snakt ze naar rijpheid. Ze kan zich niet voorstellen dat ze verliefd zou zijn op iemand die veel jonger is dan haar. Wat kunnen jongeren haar bijbrengen over de liefde? Ze wijst me op iets dat ik als man snel uit het oog verlies: hoeveel vrouwen de liefde beschouwen als een éducation sentimentale.

Komt daar nog bij dat Sarton lesbisch is, terwijl de Amerikaanse moraal nog altijd fundamenteel puriteins is. Amerikaanse waarden zijn "niet gebaseerd zijn op een bloei van het leven of iets dergelijks," schrijft ze, "maar op beperkingen, discipline, zeden die eerst aan de kaak gesteld moeten worden voordat een mens volledig menselijk kan worden." De Amerikaanse gezinstraditie heeft de vrouwen te lang bedeesdheid voorgeschreven.

Aan de bergen post te zien die ze ontvangt, en de afstandelijke, zij het niet onwelwillende manier waarmee ze die afhandelt, was May Sarton een feministisch boegbeeld tegen wil en dank. Zorgzame vrouwen, vrouwen met kinderen die zich diep gefrustreerd voelen, en beseffen dat ze hun echte leven voortdurend mislopen, vragen haar om raad. Sarton tekent aan:
Het is een leeftijd waarop steeds meer mensen vast komen te zitten in een leven waarin steeds minder innerlijke beslissingen mogelijk zijn, steeds minder werkelijke keuzen bestaan. Het feit dat een ongetrouwde vrouw van middelbare leeftijd, die geen familie meer heeft, in dit huis in een rustig dorpje leeft en alleen zichzelf verantwoording verschuldigd is, heeft betekenis. Het feit dat ze schrijfster is en kan vertellen waar ze staat en hoe het haar vergaat op haar pelgrimstocht naar binnen, kan steun aan anderen geven.
In het licht daarvan is het niet verwonderlijk dat Sarton haar waardering uitdrukt voor de schrijvers en kunstenaars rond de figuur van Virginia Woolf. In Journal of a solitude staat een uitstekende typering van de Bloomsbury-groep, waarvan de leden óók absolute eerlijkheid over persoonlijke zaken betrachtten.
Ze accepteerden dat er in een mensenleven vele en complexe relaties kunnen bestaan die verrijkend zijn, en vele soorten liefde. Ze accepteerden dat nagenoeg iedereen die zich bezighoudt met kunst tegenstrijdige gevoelens onder ogen zal moeten zien, en met zijn biseksualiteit moet leren leven, en dat hartstochtelijke vriendschappen ook seksueel contact kunnen inhouden. (Hoe gezond komt dit echter over na het stuitende mannelijke exhibitionisme en rollenspel van Miller, Mailer en Hemingway!). Ze bereikten niet alleen een verbazend rijke productie in de kunst (schilderwerk, poëzie, romans) die het begin van een nieuwe ontwikkeling was, maar leidden bovendien een heel bijzonder leven, dat niet ontaardde in een zootje of in puur genotzucht. Als ze al neuroten waren, en misschien waren ze dat wel, dan waren ze beschaafde neuroten met een beschavende invloed.
Sarton heeft Virginia Woolf zelfs nog persoonlijk gekend. (Grappig is de dagboekbladzijde waarin ze druk voorbereidingen treft voor een theekransje, zich niet bewust dat ze zich gedraagt als een tweede Mrs. Dalloway.) Op gevorderde leeftijd leest ze het postume Schrijversdagboek van Woolf en legt de vinger op een emotionele kwaliteit die ik twee zomers geleden ook ervaarde, maar nooit onder woorden kon brengen. Die rare combinatie van gevoeligheid en kilheid van Woolf. Een labiele vrouw, maar verstoken van zelfmedelijden.
Toen ik jong was en Viriginia Woolf oppervlakkig kende, heb ik een schokkende ontdekking gedaan, namelijk dat iemand heel gevoelig kan zijn en niet warm. Ze was vreselijk nieuwsgierig en bestookte je met vragen, luchtige innemende vragen, die een jonge gespreksgenoot deden blozen omdat hij even in het middelpunt van haar belangstelling stond. Maar soms voelde ik me ‘een specimen van de Amerikaanse jonge dichters’ die de romanschrijfster wilde opnemen en wegbergen in haar voorraadkamer van indirecte ervaringen. Maar daarnaast had je ook het overmoedige gevoel dat je alles kon zeggen, het gevoel van vrijheid dat zeker een van de sleutels was tot de geest van Bloomsbury, een gedeeld, heimelijk plezier om menselijke dwaasheden of pretenties. Ze was ontzettend aardig en gedurende een aantal jaren nodigde ze me minstens één keer uit op de thee, telkens als ik in Engeland was, maar in al die tijd heb ik nooit warmte gevoeld, en dat was schokkend.
En zo gebeurde het dat ik een somber dagboek las uit de jaren zeventig, geschreven door een bijna zestigjarige lesbiënne, en me toch sterk aangesproken voelde. Ontroerd door een vrouw die hongert naar de vruchten van haar moeizaam verworven zelfstandigheid.

De overige dagboeken van Sarton (op haar zeventigste, negenenzeventigste, tachtigste en tweeëntachtigste geschreven) zijn niet in het Nederlands vertaald, maar dat zal me niet afremmen meer van haar te lezen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

May Sarton, Eenzaamheid : dagboek
167 p.
Uitgeverij Nijgh en Van Ditmar, 1988
Oorspr. Journal of a solitude (1973)
Vertaald door Marie Luyten

____

maandag 28 september 2009

Liefde duurt drie jaar - Frédéric Beigbeder

Frédéric Beigbeder (spreek uit: bègue-bé-dé) brak in 2000 door met zijn reclamesatire 99 francs. Over zijn eerdere romans wordt doorgaans minnetjes gedaan door de verzamelde literaire kritiek. In bijna elke recensie wordt gemakzuchtig verwezen naar Beigbeders verleden als copywriter en de daaruit voortspruitende neiging te schrijven in oneliners. Welnu, ik vind 'm een van de interessantere Franse schrijvers, en Liefde duurt drie jaar een erg grappig boek.

Want met een beetje overdrijving zou je over Frédéric Beigbeder kunnen aanvoeren wat Borges over Oscar Wilde (nog zo'n schrijver die grossierde in bon mots) heeft gezegd — iets waar lezers altijd naast kijken, namelijk het feit dat hij bijna altijd gelijk heeft. Want hoe kil en narcistisch Liefde duurt drie jaar ook is, ik zat voornamelijk te knikken en te grinniken.

Wie Beigbeder goed wil inschatten, moet oog hebben voor het literaire klimaat waarin hij zich moet zien te handhaven. In Parijs rollen de zoete, met instant-poëzie gekruide liefdesromannetjes elk jaar weer met tientallen van de band. Wie zoals Houellebecq en Beigbeder, niet toevallig bevriend met elkaar, daar iets tegenover wil stellen, wordt in zo'n omgeving algauw een enfant terrible genoemd.

Dat Beigbeder, die als geen ander weet hoe de media werken, dat imago graag uitspeelt, met harddrugs als plezierige bondgenoot, kan ik gek genoeg goed van me afzetten. Er is een duistere kant in mijn persoonlijkheid die de onttakeling van de liefde namelijk een belangrijk project vindt. Ik mag ze graag lezen, de stoute jongens. Houellebecq heeft herhaaldelijk gewezen op de gelijkenissen tussen de eisen van de liefde en de idealen van het fascisme. Beigbeder heeft zijn roman opgebouwd rond de harde waarheid van echtscheidingsstatistieken en het populair-wetenschappelijke riedeltje als zou de liefde biochemisch gezien nooit meer dan drie jaar standhouden.

Wie denkt u wel dat u bent, om het te durven opnemen tegen klieren en neurotransmitters die u onherroepelijk in de steek zullen laten op de datum die daarvoor staat? Aan de woorden van de dichter valt eventueel nog te twijfelen, maar tegen de natuurwetenschappen en de demografie legt u het zeker af.
Liefde duurt drie jaar is sterk autobiografisch. We volgen de zelfingenomen Marc Maronnier die na zijn op de klippen gelopen relatie met Anne de zaken overschouwt. Maronnier was een goedbetaalde reclameman: "Ik verdiende de kost met woorden achter elkaar zetten, voor kranten of reclamebureaus — waarvan de laatste het voordeel hebben dat ze meer betalen voor een geringer aantal woorden." Ook zijn huwelijk leek te floreren. Voor de buitenwereld ten minste. Wanneer zijn vrouw in een vakantiekoffer het plaatje van een pinup ontdekt, en dat correct inschat als het symptoom van een structureler probleem, wordt de scheidingsprocedure ingezet.

Na de liefdesbreuk zoekt Maronnier soelaas in zelfmedelijden, zonder dat hij daarvoor enige schaamte voelt ("Ik ben afgezaagd, dus ben ik universeel"). Waar, vraagt hij zich af, zijn z'n vrienden die zich op zijn bruiloft de taartjes goed lieten smaken en hem nu boycotten, terwijl het net omgekeerd zou moeten zijn — trouwen zou je altijd alleen moeten doen en bij je scheiding zouden al je vrienden je moeten steunen. Zijn eigen genotzucht en gebrek aan liefdesengagement worden door Maronnier vergoelijkt met de biologische wet dat de hormonen na een jaar of drie gewoon niet meer meewillen. Of een andere uitlaatklep zoeken. Het eerste jaar viert de liefde feest, het tweede jaar treedt er gewenning op, het derde jaar is er een van verveling, clandestiene pleziertjes en bedrog.
Er werd ons vaak verteld dat na verloop van enige tijd de hartstocht ‘iets anders’ wordt, duurzamers en mooiers; dat dat ‘andere’ Liefde is met een grote L, een weliswaar minder opwindend, maar ook minder onvolwassen gevoel. Ik wil er geen doekjes om winden: dat ‘andere’ zal me aan mijn reet roesten, en als dat ‘andere’ Liefde is, dan laat ik de Liefde graag over aan de luien, de moedelozen, aan de ‘volwassen’ lieden die zich onkwetsbaar hebben gemaakt in hun emotionele gemakzucht. Mijn liefde is liefde met een kleine l maar neemt een hoge vlucht; ze duurt niet zo lang, maar zolang ze er is, kan ik er op zijn minst niet omheen. Hun ‘iets anders’ waarin ze de liefde graag zouden veranderen, heeft veel weg van een theorie die ze hebben bedacht om met weinig tevreden te kunnen zijn, en om zichzelf gerust te stellen met de kreet dat je nu eenmaal moet roeien met de riemen die je hebt. Ze doen me denken aan de afgunstigen die de portieren van de dure auto’s bekrassen omdat ze zelf niet het geld hebben om er een aan te schaffen.
En dus staat Liefde duurt drie jaar vol met uitwijdingen over het mondaine leven in Parijs, een milieu dat Beigbeder eveneens uit de eerste hand kent. Liefde en seks worden synoniemen, softdrugs en mauresque (een mix van pastis en orgeade) de efficiënte geleider tussen fuivende mannen en vrouwen. Op straat, overdag, terug in de buitenlucht, observeert Maronnier de paartjes en probeert de echtelieden van de minaars te onderscheiden. Dat gaat nogal makkelijk. Het verschil is dat getrouwde koppels dineren, minnaars lunchen. Probeer over de middag maar eens om een foto van een koppel te maken en je krijgt de wind van voren. Probeer hetzelfde bij een ander paar, ’s avonds: ze zullen glimlachen en poseren.

Op jacht naar "bloeiende jongedames" houdt Maronnier er "dichotomische criteria" op na: niets vindt hij zo prachtig als "het contrast tussen het gezicht van een engel en het lichaam van een slet." Op een gegeven moment neemt hij zich voor om altijd te masturberen voordat hij uitgaat, om niet in de verleiding te komen zich met een dolle kop overal in te storten. Intussen dialogeert Maronnier met de halve wereldliteratuur, deels opnieuw vanuit de behoefte zijn gedrag te rechtvaardigen. De mooiste quote is van Raymond Radiguet:
Wanneer iemand liegt als hij tegen een vrouw zegt dat hij van haar houdt, dan lijkt het misschien of hij liegt, maar iets heeft hem ertoe aangezet dat tegen haar te zeggen, dus is het waar.
Telkens opnieuw wordt de mantra van de onbestaanbare echte liefde herhaald. Beigbeder/Maronnier — de auteur wringt zich vaak nadrukkelijk voor zijn personage — vat de kern van zijn betoog nog eens samen in drie zinnen: 1) geluk bestaat niet; 2) liefde is onmogelijk; 3) niets doet ertoe. Het doet me denken aan de stellingen achteraan Siciliaanse vespers. Zou Meijsing Beigbeder gelezen hebben?

Alleen, na Anne dient ene Alice zich aan. Een nieuwe vrouw. Een nieuwe vlam. Zou dit liefde zijn? Overleeft deze relatie wél haar derde verjaardag?

Beigbeder is verstandig en laat de vraag open. De opportunistische schrijver heeft mooi geld verdiend met het aangedikte verslag van zijn eerste huwelijk, maar eindigen in afgrondelijk cynisme, dat is blijkbaar een brug te ver. Natuurlijk is Beigbeder een klootzak, maar hij weet het. Perfide, maar lucide. Op papier — maar alleen op papier — maakt dat een wereld van verschil.
Schrijven over het nachtleven was een vicieuze cirkel waarin ik vastzat. Ik bezatte me om te vertellen over de laatste keer dat ik me had bezat. Maar dat was toen, voortaan zouden we de confrontatie met het daglicht aangaan. Laat ’s kijken, wat voor soort artikelen zou een parasiet zonder werk nou ’s kunnen schrijven? Stelt u zich Graaf Dracula voor op klaarlichte dag; welk vak zou hij kiezen? Wat worden bloedzuigers als ze zich omscholen?
Liefde duurt drie jaar heb ik verschillende vrouwen in mijn omgeving aangeraden. Spontane feedback komt er nooit. Ik vraag er ook niet meer naar.

(Gebaseerd op notities van 27 september 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

Frédéric Beigbeder, Liefde duurt drie jaar
157 p.
Uitgeverij De Geus, 2003
Oorspr. L’amour dure trois ans (1997)
Vertaald door Marianne Kaas

____

zondag 27 september 2009

Uit de feedreader [13]

> Is cryptomnesia — copying the work of others without being aware of it — to blame for journalism's ultimate sin?

> New frontiers in digital sound

> The Wikipedia Revolution by Andrew Lih

> American castles

> Tolkien out-Wagners Wagner

> Bernstein and the F.B.I.

> Herzog August Bibliothek Wolfenbüttel

> Nabokov's editing

> Laura Dekker heeft haar storm nu wel gehad

> 100 best book blogs for history buffs

> What is economics? Is it a science?

> Exit Bernard Dewulf

> How is Norman Mailer to be remembered?

> Automatically catalog your DVDs with Movie Collector Connect

> Google's Book Search: a disaster for scholars

> A review of Ch. Luxenberg, 'Die Syro-Aramäische Lesart des Qur'an'

> Byron: mad, bad, and dangerous, he understood what women wanted

> The making of an Iran policy

> How to fake science, history and religion

> The McFarthest Place: 145 Mi to the nearest Big Mac

> We must rescue art from the modern intoxication with ugliness - Roger Scruton

> Where hiphop is "going" and where it never was

> What went wrong with economics

> William L. Clements (1861-1934) went mad for Americana and built his Alma Mater a library to show it

> Listopia at Goodreads

> How the political and historical context of Orwell's work is often missed or ignored

> Terry Pratchett in call for law to allow assisted suicides in UK

> 'Crisis and hope' - Noam Chomsky

> An overview of someone’s favorite old classics

> Isaiah Berlin, the dictaphone don

> Joepedia, The G.I. Joe Wiki

> Why are we in Afghanistan?

> Flannery: a life of Flannery O'Connor

> Wat betekent de doorbraak van het e-book voor schrijvers?

> Letters to the president

> What's romantic about science?

> How Arthur Evans's excavations of the Minoan past on Crete inspired the artists and writers of the future

> Louise Brown, 91, has read up to a dozen books a week since 1946

> The Art of Fontana Modern Masters

> Shakespeare's rivals

> Economics is not natural science

> How did humans come down from the trees and why did no one follow?

> The uses of anti-Semitism in Chávvez's Venezuela

> The art of Penguin science fiction

> Michael Jackson, forever out of reach

> Florence in the late nineteenth century and the expatriates in search of Arcadia who settled there

> Elizabeth Gilbert muses on the impossible things we expect from artists

> The rise of composers, musicians, and their art

> When novelists sober up

> The real Raymond Carver: how an editor’s pencil created an author’s literary style

> Pattern in islamic art

> The most epic fails in Star Wars design

> The Millions book review index

> The Millions: the future of the book series

> The 7 vices of highly creative people

> The age of enhancement

> Facts, errors and the Kindle

> Postwar Polish poetry

> Susan Neiman talks about the death of philosophy

> Is free the future? - Malcolm Gladwell

> Why exercise won't make you thin

> Death and decay of an Austin rare-book dealership

> When a piece of pop art dies

> What to avoid on eBay

> Versailles : The life of a palace

> Homer and the poetic origins of art history

> Real USSR: lifting the iron curtain

> The physics of Pixar's Up

> Iran: the tragedy and the future

> 10 years after its founding, positive psychology struggles with its own success

> How America has retreated from one of its greatest inventions — the movies

> UbuWeb: film & video

> Marcus Aurelius : was he quite ordinary?

> How stories live and die in viral culture

> Where I write: fantasy & science fiction authors in their creative spaces

> Philip Larkin reads 'High windows' on Vimeo

> What's the matter with cultural studies?

> Microsoft's new search engine isn't half-bad

> Rape of the Congo - Adam Hochschild

> Britain between the wars

> Michael Wood on 'Inglourious Basterds'

> Pop culture in the age of Obama

> Autobiographical fire and Obama’s creation of self

> Vitalski brengt 'hond vond ons tof'

> As original jackets increase the value of books, the counterfeiting market races to keep pace

> Fucking shut the fuck up

> What do pope John Paul II and Hugh Hefner have in common?

> The war between science and religion

> Hitler: the genius was allowed to be above morality

> Amazon reviewers take on the classics

> The cultural origins of the constitution

> Senses test

> 10 years after its founding, positive psychology struggles with its own success

> Samuel Johnson at 300

> Diminishing returns in humanities research

> Does absurdist literature make you smarter?

> Reviews of several books on Samuel Johnson

> The Apollo space race to the moon

> Terry Eagleton : the Marxist critic gunning for the New Atheists

> Is Google killing general knowledge?

> A personal history with jigsaws

> Step aside, bloated operating systems

> What if writing were like tv?

> How I became a Keynesian

> Can the Kindle really improve on the book? - Nicholson Baker

> What is an antiquarian bookseller, anyway?

> The best novels about being broke

> The arrogance of the French

> The 50 most ... Out there! albums of all time

> 20 scary old school surgical tools

> The lost art of reading

> A flowchart that describes 90% of all porno movies

> Dinner at El Bulli: the greatest restaurant in the world [comic]

> The Jews: a nation of commentators

> James Joyce for ordinary blokes?

> How the Michelin guide crippled France's restaurants

> Knossos: fakes, facts, and mystery

> A library’s approach to books that offend

> Wilder's dramatic landscape: alientation effect meets the Midwest

> Almodóvar vs. Tarantino

> Why dictators love kitsch

> Joseph Brodsky: listening to boredom

> Was Arnold Bennett a modernist?

> The top 500 tracks of the 2000s

> Rilke: the great poet freshly translated

> British alternative rock

> The pillow book - essay by Michael Dirda

> OpenDemocracy on the Arab world in 2009

> Rebuilt Rome

> 50 NES quotes every gamer should know

> The evolution of God

> How the boy wizard won over religious critics

> American health care - links

> Thriller was Michael Jackson's masterpiece. It was also his curse

> The best God joke ever

> How to watch blocked videons on YouTube

> What readers won't give up

> The life and times of Robert Capa

> What happened to the Trainspotting generation?

> Top 10 disgusting websites to share with friends

> The Longman Companion to Victorian Fiction

> All work and no play : Alain de Botton and Andrew Ross's new books

> How the fathers of Critical Theory found their way to America

> Over leven en werk van Rainer Maria Rilke - Ad Haans op CuBra

> The late mastery of Alice Munro

> Think of a book. Then imagine someone other than the author who might — or could never — have written it.

> Theodore Dalrymple watches Wimbledon - and finds ugliness, moral and physical, on view

> If Tarantino hopes to reach his full potential as a filmmaker...

> Splits het letterenbeleid

> How does porn screenwriting work?

> Jan Desmet, website

> A century after Swinburne

> One World Classics - Calder Publications

> Mick Wiggins, illustrator

> How the brain hard-wires us to love Google, Twitter, and texting

> When we read, our brain reacts as if it is actually in the thick of the action

> Sentences on conceptual art - Sol Lewitt

> Shakespeare's rivals

> The enduring value of the Republic of Letters, in all its forms

> Christophe Niemann, illustrator

> E-mails from crazy people

> Why the most peaceful people on earth write the greatest homicide thrillers

> The new historicism in literary study

> Bad Writing - D.G. Myers

> A man's home is his constitutional castle

> Men's 100 metres world record progression

> 1001 flash games

> The Criterion Collection - top 10's

> Harry Potter: Kind of like 90210 with owls

> Diminishing returns in humanities research

> Top 10 comic book cities

> Eye on the Strand - photocontest

> The case against the case against Google

> Digital rights management or not?

> Art, God and copyright

> Typography on the web is basic and dull. A startup called Typekit will fix it.

> Don’t mind your language… - Stephen Fry

> Twisted Spoon Press - authors

> What a millennium of repressed, cock-happy scholars can do to an obscure Arcadian poet

> Juan Francisco Casas, illustrator

> J.F. Fletcher, designer

> Stop cleaning the kitchen and read a book

> How Amazon's remote deletion of e-books from the Kindle paves the way for book-banning's digital future

> Views of the tower of babel part 1 and part 2

> Monsters and mentalities of the Renaissance

____

vrijdag 25 september 2009

Noise from the underground - Pat Blashill

Begin jaren negentig lag het woord 'alternatief' op de lippen van iedere rockliefhebber bestorven. Ook ik gebruikte het te pas en te onpas om me te onderscheiden van 'de massa'. Tussen mijn zestiende en mijn twintigste wilde ik maar één ding: in een levensgevaarlijke rockband spelen. Dat kwam door één man en zijn driekoppige bandje Nirvana, die muziek maakte naar mijn hart: rake teksten, rauwe, melodieuze gitaren en een primitieve ritmesectie.

Het kantelmoment had plaatsgevonden in de wintermaanden van 1991. Voor iemand die dacht dat muziek ophield bij Michael Jackson ('Dangerous') en commerciële new beat, had de videoclip bij 'Smells Like Teen Spirit' de kracht van een epifanie. Ik bleek niet de enige op wie de beelden indruk maakten. Een hele generatie voelde zich aangesproken. Rolling Stones-journalist Pat Blashill zag de clip voor het eerst in een pub in Schotland:

At one point I bumbled by the bar’s wide-screen television, and it was showing the video clip for Nirvana’s ‘Smell’s Like Teen Spirit’, which I’d heard was becoming very popular back in the United States. The video was filled with punkrock cheerleaders, crowd surfing, and anarchy, and it looked like surveillance camera footage of a vast and ferocious underground, like pictures of a whole subculture that had always existed but had never been spoken of or spoken to. It looked like a riot had been waiting to happen.
Voor het eerst kwam ik in contact met wat later 'tegencultuur' zou blijken te heten. 'Alternatief' stond voor eerlijke muziek van geloofwaardige muzikanten die trots de DIY-attitude voorstonden. Platen werden zonder opsmuk en met een minimum aan middelen opgenomen. Gitaardistortion werd niet gebruikt als toemaatje maar als een expressief basisingrediënt. Zelfgemaakte affiches en flyers werden vermenigvuldigd onder de Xerox-afdekplaat. Iedereen droeg T-shirts met het logo van zijn favoriete band. Rockmuzikanten zagen er niet uit als rocksterren, maar als bereikbare mensen, die best je vrienden hadden kunnen zijn.

Vele jaren oefende ik dagelijks en met heilige ernst in mijn drumhok. En, hoewel autodidact, werd ik een muzikant van meer dan behoorlijk niveau. Maar het bleek moeilijker dan gedacht gelijkgestemde zielen te vinden om een groepje mee te starten. Nirvana en co hebben nooit veel concrete invloed gehad op Vlaamse bandjes, die hun mosterd meestal in Engeland gingen halen — kort na de grunge, nog zo'n modewoord, kwam de Britpop op. Rond 1994 brak dEUS dan weer door. Op dEUS valt natuurlijk niets aan te merken, behalve dat ze voor tien jaar het klimaat verpestten voor iedereen die luide, elementaire muziek wou spelen.

Langzaam werd ik ouder en wijzer. Ik begon de verschillen te zien tussen mezelf en de rockers in de bladen. Akkoord, ik had ook lang haar en beukte zo hard mogelijk in op die drums. Maar verdovende middelen nam ik niet — nooit van dichtbij gezien, zelfs — ik sliep niet onder bruggen maar in een warmgestookte slaapkamer, en rebelleren deed ik vooral in notitieschriftjes die ik niemand liet lezen. Ik begreep stilaan dat de mensen naar wie ik opkeek miljonair waren. Dat rocksterren meestal niet zoveel te vertellen hebben. Dat het gegoochel met het woord 'alternatief' snobistische kantjes had. Dat de muziekgeschiedenis een onverschillige estafette is van drie à vier jaar-durende trends. Nirvana zelf was niet blij met alle gedoe, en zou er ook aan ten onder gaan.
After finishing the record, Nirvana shot the now-legendary video for ‘Teen Spirit’, which was loosely based on a couple of Kurt’s favorite adolescent rebel movies, Rock ‘n’ Roll High School and Over the Edge. The clip was just the sort of visual chaos some of the younger programmers at MTV had been hoping to get onto the channel. In September 1991, one of them, Amy Finnerty, threw a hissy fit and demanded that her bosses give ‘Teen Spirit’ a ‘world premiere’ on the channel’s alternative program, 120 Minutes. After that, the clip slipped into the heavier rotation know as ‘Buzz Bin’. And then it became the most popular thing on MTV.
Nobody, especially not Nirvana themselves, was prepared for the riot that did greet 'Nevermind'. The band just happened to be in the right place at the right time. They just happened to have made a classic record: 'Nevermind' was at once angry, confused, hopeful, hopeless, loud, fragile, and anthemic. And Nirvana happened to be punks. They had come up as fans of both the Beatles and Black Flag, and they had watched their heroes break up, and rage, and blossom, and get soft. But mostly Nirvana had watched the punks that came before them lose. Now Nirvana, and Kurt Cobain especially, didn’t really know how to win. At first their success baffled them, because they had never expected it. And then, and 'Nevermind' continued to fly out of the record stores, Nirvana began to feel that their success, whether deserved or not, was destroying the underground that had given them their start.
‘With us, it just happened overnight,’ said Novoselic. ‘Everything changed for me after 'Nevermind' hit. And I started noticing that things had changed in Seattle. You used to be able to go down and catch shows, and you would know everybody. It was a tiny little scene, real innocent and unadulterated. It was a complete counterculture. Then you started to notice people coming in from the suburbs. Then it was totally absorbed by the mainstream culture. Everything just got co-opted.’
Het zou niets worden met mijn muziekcarrière. Toch heeft die intense periode me voor een groot stuk gevormd. Ze was een goeie oefening in eenzaamheid. Ze dwong me zelfstandig een instrument te leren bespelen. Ze deed mijn liefde voor taal ontluiken (de teksten van 'Nevermind'!). En ze overtuigde me van het belang steeds rücksichtslos je eigen ding te doen. Het onmogelijke weblog Achille van den Branden is in zekere zin ook een kleinkindje van het koppige joch dat ik ooit was.

De liefde voor groezelige muziek uit de jaren tachtig en negentig is altijd gebleven, as opposed to de meeste rockacts die ervoor kwamen of erna. Nog steeds hoor ik het liefst pretentieloze gitaarmuziek van Amerikaanse makelij. Was het Greil Marcus die beweerde dat Amerikaanse rockbands meestal recruteren uit de arbeidersklasse, terwijl Britse rock voornamelijk wordt gemaakt door de verveelde middenklasse?

Dus was dit boek vooral een sentimental journey, een bescheiden feestje van herkenning. Noise from the underground is het dubbelproject van de eerder genoemde Pat Blashill en fotograaf Michael Lavine. Wie het boek koopt, moet dat alleen doen voor Lavine en zijn prachtige foto's.

Lavine groeide op in Denver, maar ging studeren in Olympia, Washington. Hij was toevallig in de staat Washington toen de grunge-rage uitbrak en kreeg als persoonlijke vriend van Kurt Cobain ineens ongelimiteerde toegang tot de groep waarrond het allemaal draaide. Lavine werd de fotograaf van een era. Hij slaagde erin modale tronies een zekere allure te geven via inventieve poses en eigenzinnig kleurgebruik. "He infused his portraits with a hard glamour," schrijft Blashill. "Michael’s pictures are screaming with attitude and saturated with the color of lysergic dreams." Daar is weinig van gelogen. Noise from the underground bevat sublieme portretten van Deborah Harry, Come, Liz Phair, Juliana Hatfield, Billy Corgan, Joan Jett, Luscious Jackson en noem maar op. (Lavine zou later nog eens landelijke roem oogsten toen hij een nogal profetische coverfoto maakte voor een plaat van Notorious B.I.G.)



Blashill, van zijn kant, schreef een zeer rommelige schets ('A fan's notes') van de muziekscène van het Seattle van de jaren negentig. Nou ja, schets. Bindtekstjes zijn het meer, in een opzichtige, contraproductieve typografie. Hij vertelt vanalles wat, en eerlijk gezegd weinig wat me onbekend was. Blashill boeit het meest als hij ingaat op de wortels van de Amerikaanse alternatieve muziek, die natuurlijk geen uitvinding is van Nirvana. Hij vermeldt belangrijke antecedenten als de New York Dolls en de Ramones, Flipper, Black Flag, Mudhoney en Sonic Youth.

Nieuw voor mij was de wetenschap dat de Amerikaanse underground rond 1987 in een crisis verkeerde. Black Flag en Minor Threat waren gesplit, Iggy and the Stooges lagen stil, R.E.M. ging meer de kant van mainstream uit, Hüsker Dü maakte geen goeie platen meer. Onder de weinige veelbelovende nieuwe acts bevonden zich Dinosaur JR, Pussy Galore en Pixies. Het label Sub Pop van Bruce Pavitt en Jonathan Poneman, dat zijn platen efficiënter distribueerde en promootte dan Rough Trade en Twin/Tone, zou een sleutelrol vervullen. Het bracht met 'Bleach' (1989) van Nirvana een relatief succesvolle plaat uit, die de aandacht zou trekken van de grote platenmaatschappijen. Nirvana zou uiteindelijk tekenen bij Geffen, op suggestie van Kim Gordon. Wat ik niet wist dat Nirvana eerst alleen wou tekenen bij een major om daarna in de beste punkrocktraditie de boel te kunnen belazeren.

Het eigenlijke begrip 'alternatieve rock', leer ik uit het boek, zou rond 1980 al zijn gemunt door ene Terry Tolkin, A&R bij Elektra Records, die platenmaatschappijen wou aansporen wat meer aandacht te schenken aan wat zich onder de mainstream afspeelde. Tien jaar later kreeg het begrip zijn volle glans, waarna het al snel als verkoopsargument werd gerecupereerd — en bijgevolg van alle betekenis ontdaan — door de platenmaatschappijen. Blashill:
Use the word ‘alternative’ around anyone under twenty-five, and you will see that kid wince. It’s the instinctual shudder of someone rejecting a pat definition of his generation. ‘Alternative’ may be the only word we have to describe a culture that straggled up through the cracks in the pavement of Main Street, but somehow it’s not enough. Never before has a word as colorless as ‘alternative’ been bandied about to describe such a crazy panoply of best-selling musical artists, including everyone from an odd, confessional singer/songwriter named Liz Phair to a martini-swilling glam-rock-band called Urge Overkill. Never before has a word been so inadequate and overstretched and carelessly applied ot such a broad spectrum of cultural phenomena as suburban skateboarding, mall tattoo parlors, the rise of fanzines, and the popularity of homegrown, independent films like Clerks. And never before has such an unappetizing word been employed to sell youth culture back to the people who invented it in the first place.
Noise from the underground heeft zeker ook iets treurigs. Het boek kwam uit in 1996, toen de alternatieve hausse al voorbij was. Cobain had zich in 1994 door het hoofd geschoten. Een rechtzaak tegen concertpromotor Ticketmaster in datzelfde jaar had Pearl Jam afgeknepen van het mainstreamcircuit (de groep ging ook steeds slechtere platen maken). Maar Blashill heeft duidelijk niet kunnen vermoeden hoe weinig structureel de nalatenschap was van de alternatieve rock. Britpop zou zijn laatste adem uitblazen met de derde van Oasis (1997). Het Amerikaanse festival Lollapolooza kon in 1998 al geen volwaardige headliner meer vinden. En die verschrikkelijke nu-metal kondigde zich aan als de volgende gitaarhype. Interessante acts als The Strokes, Franz Ferdinand en Interpol zouden niet meer dezelfde impact hebben als de grungebands.

Dus is dit boek ook een grafschrift en de — uitstekende — discografie achteraan een soort pantheon. Gelukkig is het in tijden van YouTube geen enkel probleem meer om obscuur materiaal op te diepen: The Fluid, Live Skull, Surgery, Lunachicks, X, Inger Lorre, Red Red Meat, Foetus, Lydia Lunch, Dwarves, Black Snakes, Galaxie 500, Boss Hog, Railroad Jerk, Sunny Day Real Estate, Velvet Monkeys, Beat Happening, Das Damen, Redd Kross, Visible Man, Lush...

Mooi toeval: volgende week verschijnt er een vergelijkbaar fotoboek van Lavine, met teksten van Thurston Moore.

[afbeelding: Kurt Cobain action figures, via Flickr]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide discografie in de commentaren hieronder
> 'American alternative rock en post-punk' - Stephen Thomas Erlewine

Pat Blashill, Noise from the underground
A secret history of alternative rock
160 p.
Uitgeverij Simon and Schuster, 1996
Fotografie door Michael Lavine

____

donderdag 24 september 2009

The Arts Fuse

"The Arts Fuse is a site where provocative opinions about arts will be encouraged; the aim is to bring passionate intensity and intellectual vitality to evaluating all things cultural, focusing, though not limited to, New England."

> http://blog.theartsfuse.com/

____

CliffsNotes

"Students from junior high to grad school have been turning to CliffsNotes to save study time since 1958. Now more than ever, you need to get the most out of your busy schedule, and we're still here bringing you trustworthy study guides written by real teachers and professors."

> http://www.cliffsnotes.com/WileyCDA/

____

Reuters Blogs - Photographers

"What makes a great picture?"

> http://blogs.reuters.com/photo/

____

Ads of the World

"Ads of the World is an advertising archive and community. The archive showcases campaigns from around the world categorized and updated daily. In the forum you can discuss your professional life and post your work for critique. The blog features advertising stories."

> http://adsoftheworld.com/

____

La Nouvelle Revue Moderne

"La Nouvelle Revue Moderne, ce titre est évidemment un clin d'œil à la grande tradition des revues littéraires françaises. Cette liberté à leur égard doit être comprise avec l'humour qu'impose la modestie de notre entreprise : faire partager des textes et des images que nous avons créés ou que nous aimons."

> http://nouvellerevuemoderne.free.fr/auteurs.htm

____

woensdag 23 september 2009

Alle slechte dingen zijn goed voor je - Steven Johnson

Sommige boeken stemmen blij en droef tegelijk, omdat je ze zelf had willen schrijven. Ik heb ooit een essaytje willen plegen over het vanzelfsprekende aanzien dat literatoren krijgen, terwijl, zeker in ons taalgebied, de meeste van hun verhalen niet het niveau en de graad van complexiteit halen van een Amerikaanse topserie. Eén man tegen een roedel ervaren scenaristen, hoe zou het ook anders kunnen? Ook Steven Johnson spoort aan massa-amusement absoluut niet te onderschatten.

Voor alle duidelijkheid: met Alle slechte dingen zijn goed voor je wil Steven Johnson zijn lezers niet overtuigen dat goed gemaakt entertainment gelijkstaat met Grote Kunst. Hij wil alleen vooringenomen cultuurpessimisten counteren die menen dat de populaire cultuur alsmaar verder afzakt naar de laagste gemene deler — een steeds kortzichter wordende zoektocht is naar cheap thrills. Dat snobistische riedeltje — en welke intellectueel neuriet het niet graag mee? — berust op niet meer dan een vooroordeel. De populaire cultuur is de afgelopen dertig jaar gemiddeld juist complexer en intellectueel uitdagender geworden. Johnson noemt deze opwaartse beweging de Sleeper-curve, naar het klassieke fragment uit Woody Allens ironische sciencefictionfilm, waarin een team wetenschappers zich er in het jaar 2173 over verbaast dat de samenleving in de twintigste eeuw de voedingswaarde van slagroomtaart en karamel niet onderkende.

Volgens Johnson hebben factoren van verschillende aard de toegenomen complexiteit van massa-amusement mogelijk gemaakt: nieuwe vormen van communicatie via internet die tot gebruikerscommentaren op uitingen van populaire cultuur aanzetten, veranderingen in de economie van de culturele sector die meervoudig gebruik faciliteren, en het oude, diepgewortelde verlangen in het menselijk brein naar beloning en intellectuele uitdagingen. Wie dat samenstel van krachten wil begrijpen, moet dus kijken naar disciplines waartussen doorgaans geen interactie is, zoals economie, narratieve theorie, sociologie en neurologie. En daar wringt het schoentje.

Traditionele cultuurkritiek heeft namelijk wat het negeren van de wetenschap betreft een lange, treurige geschiedenis. Maar deze jonge Amerikaan, Steven Johnson, columnist voor nogal wat wetenschaps- en techneutenbladen, bekijkt de zaken fris van de lever en trekt systeemanalyse, kansberekening en patroonherkenning mee in het bad. Johnson heeft eerder een prachtig boek geschreven over het functioneren van de hersenen en verwerkt een deel van die kennis in dit boek. Van belang is de wetenschap dat de hersenen in zekere mate kneedbaar zijn: oefening kan de hersencapaciteit voor een bepaalde verstandelijke functie doen toenemen. Johnson benadert het begrip complexiteit dus vanuit cognitief oogpunt, wat iets anders is dan vanuit intellectueel oogpunt, want daaraan kleeft een moreel oordeel dat onze blik vertroebelt.

Voor de meeste opiniemakers en praatprogrammaleiders geldt dat als zij de sociale waarde van de media bespreken, als zij zich buigen over de vraag of de hedendaagse media goed of slecht voor ons zijn, de achterliggende aanname luidt dat amusement ons verheft wanneer het een gezonde boodschap bevat. Programma’s waarin roken of willekeurig geweld gepropageerd wordt zijn slecht voor ons en uitzendingen waarin men de aandacht vestigt op tienerzwangerschap en intolerantie en het voorkomen daarvan spelen een positieve rol in de samenleving. Naar dat morele oordeel is het verhaal van de populaire cultuur van de afgelopen vijftig — zo niet de afgelopen vijfhonderd — jaar het verhaal van een gestaag verval: de moraal van de verhalen is duisterder en tweeslachtiger geworden en de antihelden worden steeds talrijker.
Het veelgehoorde tegenargument is dat wat de media aan morele richtlijnen zijn kwijtgeraakt, zij aan realisme hebben gewonnen. De echte wereld laat zich nou eenmaal niet verpakken in heldere boodschappen, en het is beter voor ons dat het amusement onze toestand van verval, met alle ethische ambiguïteit van dien, weerspiegelt. Ik heb affiniteit met die redenering, maar dat is niet wat ik hier wil betogen. Ik denk dat er een andere manier bestaat om de sociale deugden van de populaire cultuur naar waarde te schatten, namelijk door de media te bezien als een soort cognitief onderhoudsprogramma in plaats van als een reeks levenslessen. (…) Het is goed mogelijk dat er in het hedendaagse medialandschap inderdaad meer ‘negatieve boodschappen’ overgebracht worden (…), maar dat is niet de enige manier om te beoordelen of onze televisieprogramma’s en videospelletjes een positieve invloed hebben. Even belangrijk, en misschien wel belangrijker, is het soort denken dat vereist is om een culturele ervaring te begrijpen.
De andere valkuil waarin Johnson niet probeert te trappen is de neiging, van bijvoorbeeld een Marshall McLuhan, om nieuwe genres als (minderwaardige) varianten op al bestaande vormen te beschouwen.

Games
Eerst rehabiliteert Johnson een oude vijand van menig weldenkend cultuurmens: het computerspel. En dat doet hij niet door te drukken op het cliché dat het spelen van computergames de oog-hand-coördinatie verbetert. Voorwaarde is alleen dat we games niet beoordelen met dezelfde maatstaven waarmee we pakweg romans beoordelen.

Samengevat bestaan de cognitieve voordelen van het lezen uit de volgende ingrediënten: inzet, concentratie, aandacht en het vermogen woorden te begrijpen, verhaallijnen te volgen en je een fantasiewereld uit zinnen op papier in te beelden. Maar games zijn geen romans en de manier waarop zo’n spel een verhaal vertelt is onveranderlijk het minst interessante aspect eraan. Je gaat toch ook niet naar de sportschool omdat het je interesseert hoe een hometrainer precies werkt, je gaat naar de sportschool omdat een inspanning op de hometrainer een positieve invloed op je lichaam heeft, en daarvan profiteer je vooral tijdens de vele uren per week die je niet op een hometrainer doorbrengt. En trouwens, als de ingewikkeldheid van een verhaal toch de norm is, waarom klaagt dan niemand over het simplistische, militaristische verhaal waarop schaken gebaseerd is?

Op een van de beste bladzijden van zijn boek maakt Johnson ons ingesleten waardeoordeel over de waarde van boeken belachelijk, door een alternatieve wereld te schetsen, waarin boeken op cultuurpessimistische wijze worden afgewogen aan de hand van de kwaliteiten die games hebben.
Boeken lezen is een chronische vorm van onderstimulering van de zintuigen. In tegenstelling tot de oude traditie van het spelen van games, waarin het kind gestuurd en geleid door ingewikkelde spierbewegingen wordt meegenomen naar een levendige, driedimensionale wereld vol bewegende beelden en muzikale landschappen, vormen boeken niets anders dan een lange reeks woorden op papier. Slechts een klein deel van de voor het verwerken van geschreven tekst beschikbare ruimte in de hersenen wordt door lezen geactiveerd, terwijl videogames een beroep doen op het hele scala aan zintuiglijke en motorische hersenschorsen.
Boeken hebben verder een treurigmakend isolerend effect. Waar games de jongeren door middel van het samen bouwen en verkennen van werelden al vele jaren aanzetten tot complexe sociale contacten met hun leeftijdgenoten, dwingen boeken het kind zichzelf terug te trekken in een stille ruimte, afgezonderd van andere kinderen. De zogenaamde ‘bibliotheken’ die de laatste jaren voor het bevorderen van het lezen zijn opgericht bieden een beangstigende aanblik: tientallen jonge kinderen die normaal gesproken levendig en sociaal interactief zijn zitten nu in hokjes, waar ze zonder oog voor andere kinderen stilletjes boeken lezen.
Veel kinderen beleven natuurlijk plezier aan het lezen van boeken en sommige van de door het lezen ingegeven gekkigheden hebben hun escapistische waarde, maar een aanzienlijk deel van de bevolking wordt door boeken eenvoudigweg buitengesloten. De leesgekte van de afgelopen jaren is een wrede belediging aan het adres van de tien miljoen Amerikanen met dyslexie, een aandoening die als zodanig niet eens bestond tot het gedrukte woord degenen die eraan lijden stigmatiseerde.
De gevaarlijkste eigenschap van die boeken is echter dat zij een vaste lijn aanhouden. Je hebt geen enkele invloed op de loop van de gebeurtenissen, je zit gewoon achterover en laat je het verhaal vertellen. Voor degenen onder ons die groot zijn geworden met interactieve vertellingen is dat welhaast ongelofelijk. Waarom zou iemand aan een avontuur beginnen waarvan de loop volledig door een ander bepaald is? En toch stort de huidige generatie zich dagelijks met miljoenen tegelijk in zulke avonturen. Het risico daarvan is de opkomst van een algemene passiviteit in onze kinderen, waaruit ze het gevoel zullen ontwikkelen dat zij niet in staat zijn hun omstandigheden te veranderen. Lezen is geen actief, participerend proces, het vereist onderwerping. De jeugdige boekenlezers leren ‘de verhaallijn te volgen’ in plaats van die zelf te bepalen.
De niet-literaire populaire cultuur, waaronder games ressorteren, stimuleert in toenemende mate ándere mentale vaardigheden, die net zo belangrijk zijn als die welke worden geprikkeld door het lezen van boeken, dat is Johnsons stelling. Vele vormen van leren gebeuren buiten de expliciete inhoud van de spelervaring. Het leren ligt vooral op het vlak van het participerend leren denken en analyseren — in games wordt de geest vooral uitgedaagd een omgeving te leren begrijpen, en dat vergt vele vaardigheden tegelijk. Dat is nog iets anders dan multitasken (het verrichten van een aantal onderling niet gerelateerde activiteiten). Johnson noemt het, in analogie met een uitschuifbare telescoop, telescoperen: hiërarchie aanbrengen in taken en die in de juiste volgorde afhandelen. (In Alle slechte dingen zijn goed voor je staan overigens prachtige schema's met consecutieve probleemstellingen in videogames.)
Laten we bij het begin beginnen: spellen dwingen je, veel meer dan boeken, films of muziek, om keuzes te maken. Een roman mag dan je fantasie prikkelen en muziek mag dan sterke emoties oproepen, maar games dwingen je te beslissen, te kiezen, prioriteiten te stellen. Alle intellectuele winst van het gamen komt voort uit deze fundamentele eigenschap, want leren denken komt uiteindelijk neer op het leren de juiste beslissingen te nemen: kansen afwegen, situaties analyseren, doelstellingen voor de lange termijn overwegen en vervolgens beslissen.
Johnson stort zich op allerlei neurologisch onderzoek in een poging te verklaren waarom kinderen in een spelsituatie zoveel happiger zijn om dit soort dingen te leren dan op school. Uitgaande van de chemie in ons brein (p. 43 e.v.) valt er veel voor de gedachte te zeggen dat games gebruikers weten te boeien dankzij hun vermogen om aan te sluiten op het natuurlijke beloningscircuit van de hersenen. Als je een omgeving in het leven roept waar beloningen duidelijk gedefinieerd zijn en verkregen kunnen worden door die omgeving te verkennen, zal het menselijk brein zich tot zo’n systeem aangetrokken voelen. Bij de spelers heerst ook het besef dat ze die beloningen hard nodig hebben voor het verdere verloop van het spel. De software houdt een heel scala aan voorwerpen en activiteiten achter tot je een bepaald niveau hebt bereikt, en dat maakt het spel zo verslavend. Het heeft meer met inzicht dan met die beruchte oog-hand-coördinatie te maken: bij veel populaire games zit de uiteindelijke sleutel tot succes verstopt in het ontcijferen van de regels in plaats van in het feilloos beheren van de joysticks.

Film, televisie, internet
De beeldbuis is nog zo'n bekende kop van jut — al in de jaren zestig werd televisie bekritiseerd als doorgeefluik voor seks, geweld en sadisme. Johnson vindt dat gegeven al komisch genoeg, en richt zich vooral op de andere kritiek die het medium aankleeft: dat het kijkers laat vervallen in passiviteit. En inderdaad, televisie is een passiever medium dan games. Maar ook hier liggen de zaken een stuk genuanceerder dan je zou denken.

Televisie vraagt heel wat van kijkers — ja, televisie vraagt steeds meer van kijkers. Vergelijk de betrekkelijk eenvoudige televisieseries uit de jaren vijftig met complexe reeksen als Twin Peaks, Lost en The Sopranos en je voelt intuïtief aan dat die bewering klopt. Johnson doet evenwel niet aan intuïtie, maar maakt met schema's en rasters ook visueel duidelijk dat de enkelvoudige verhaallijnen van weleer hebben plaatsgemaakt voor meervoudige verhalen, met verschillende intriges die met elkaar verweven raken en uitgesponnen worden over meerdere afleveringen.
Een deel van het cognitieve werk bestaat uit het volgen van verschillende verhaallijnen, waarbij je tijdens het kijken vaak nauw met elkaar verweven gebeurtenissen in je hoofd moet combineren. Een andere bijdrage die de kijker levert is het ‘invullen’: het begrijpelijk maken van informatie die met opzet onduidelijk gepresenteerd of achtergehouden is. Vertellingen die van de kijkers vergen dat zij de cruciale gebeurtenissen zelf invullen, tillen de complexiteit ervan naar een veeleisender niveau. Om het verhaal te kunnen volgen moet je niet alleen onthouden, maar ook analyseren.
Dat, zegt Johnson, is nu het verschil tussen intelligente programma’s zoals Friends (waarin personages bijdehante dingen zeggen — de intelligentie blijft in beeld) en programma’s zoals 24, die een beroep doen op je intelligentie (de intelligentie is buiten het scherm aan het werk).

Het opmerkelijke nu is dat de kijker ook dol is op die complexiteit, want inmiddels twintig jaar lang getraind in het volgen van meervoudige verhaallijnen. De programma’s die de hoogste eisen aan de kijker stellen behoren tot de meest lucratieve uit de geschiedenis van de televisie. Series zoals Lost en The Sopranos zijn landelijke televisiehits, en worden zeker niet alleen bekeken door een elitaire bovenlaag. Ook het algemene gemiddelde gaat omhoog: The Simpsons veronderstelt meer voorkennis dan Cheers. In de cinemazalen is dezelfde trend waarneembaar: Lord of the Rings steekt ingewikkelder in elkaar dan Star Wars. Finding Nemo is hoogwaardiger kinderamusement dan Bambi. Een hele reeks duidelijke breinbrekers deed het wonderwel bij het filmpubliek: denk aan Being John Malkovich, Pulp Fiction, L.A. Confidential, The Usual Suspects, Memento, Eternal Sunshine of the Spotless Mind, Lola Rennt, Twelve Monkeys, Adaptation, Magnolia, Big Fish en The Matrix.

Dat films en televisieprogramma's gemiddeld steeds ingewikkelder worden, heeft een niet te onderschatten economische en technologische oorzaak. Nu technologie het mogelijk heeft gemaakt favoriete programma's op te nemen en eindeloos te herhalen — en dat zijn functies waar mensen massaal gebruik van maken — moeten die programma's zo 'herhalingsproof' mogelijk worden gemaakt. Naarmate de mogelijkheden om te kijken toenemen — onvermijdelijk tot het punt waarop iedereen alles wat er ooit op televisie vertoond is op elk gewenst ogenblik kan oproepen — zullen de series die het beste tegen dergelijke handelingen bestand zijn ook het beste scoren: Hollywood verdient nu al meer aan herhalingen dan aan het oorspronkelijke bioscoopbezoek.

Het meest tegen de haren in strijkt Johnson als hij het verschijnsel realitytelevisie tegen het licht houdt. Want ook realitytv moet niet gezien worden als het toppunt van wansmaak, maar is evenzeer een aanwijzing dat tv alsmaar meer eisen stelt aan de kijker. Degenen die realitytelevisie als één lange oefening in openbare vernedering beschouwen, beschouwen ten onrechte de rol van de publieksparticipatie als een te verwaarlozen factor, schrijft Johnson.

Hoewel realityprogramma’s zich afspelen op de meest onwaarschijnlijke locaties — op een tropisch eiland waar het wemelt van de onzichtbare cameraploegen, of in een kasteel vol mooie, vrijgezelle vrouwen en één (nep)miljonair — worden ze toch gekenmerkt door een emotionele authenticiteit die enorm aanspreekt, "alsof er op een parkeerplaats ineens een plukje wilde bloemen groeit".

Johnson vindt het niet zo gek dat de sitcom, met zijn ingestudeerde one-liners en het ingeblikte lachen, het tegen de emotionele intensiteit van de realitytelevisie steeds minder kan bolwerken. Want realitytelevisie daagt de kijker uit: het programma onthult geleidelijk zijn conventies, elke deelnemer geeft beetje bij beetje zijn of haar persoonlijkheid en achtergrond bloot, en voor de kijker is het intrigerend om te bedenken hoe de deelnemers zich in de omgeving die voor ze gecreëerd is het beste kunnen handhaven.

Realitytelevisie zegt iets over wat in dit boek het AQ-quotiënt wordt genoemd, het autismequotiënt: het vermogen om emotionele aanwijzingen te leren herkennen. Dat is niet zomaar een handigheidje: het vermogen om het hele scala aan sociale relaties in een grote groep te kunnen analyseren en onthouden is een even betrouwbare maatstaf om te voorspellen of iemand succes in zijn werk zal hebben als diens eindexamencijfers of studieresultaten. Dat die kwaliteit echter vaak wordt genegeerd, daarvoor acht Johnson de eeuwenoude tegenstelling tussen intelligentie en emotie verantwoordelijk.
Het AQ kan beschouwd worden als een subcategorie van het door Daniel Goleman ontwikkelde concept van de ‘emotionele intelligentie’. Intelligentie wordt soms gemeten naar de mate waarin we ingewikkelde wiskunde beheersen, en soms naar hoe we moeilijke beslissingen nemen, maar een even belangrijke maatstaf voor het vaststellen van praktische intelligentie is hoe wij emotionele signalen van andere mensen oppikken en verwerken.
Wie realitytelevisie door de bril van het AQ bekijkt, begrijpt een stuk beter welke cognitieve eisen het genre stelt. Dankzij spelletjes op de televisie konden wij onze feitenkennis al toetsen en honoreren, en voor het belonen van onze lichamelijke intelligentie was er de sport op de buis. Realityprogramma’s vormen een toets voor onze emotionele intelligentie en ons AQ. In zekere zin zijn zij een omvangrijk psychologisch groepsonderzoek, waarbij de deelnemers als vergoeding geen vijftig dollar krijgen, maar kans maken op een miljoen, plus hun foto op het omslag van People.
Tot slot neemt Steven Johnson het op voor het internet en computergebruik in het algemeen, deels leunend op een uitspraak van Steve Jobs, die graag het verschil tussen televisie en internet omschreef als het verschil "tussen onderuitzak- en vooroverbuigmedia". Veel electronische media hebben inderdaad een participerend en interactief karakter: e-mail, surfen, chatten, bloggen. Internet verstoot steeds meer een passiever medium als televisie: het aantal actieve bloggers in de VS is even groot als het aantal kijkers dat een goed bekeken programma op prime time trekt. Bovendien dwingt de digitale revolutie ons voortdurend andere softwareapplicaties en interactieve faciliteiten onder de knie te krijgen.



Het Flynn-effect
In het tweede deel van zijn boek maakt Johnson een hypothetische link tussen het Flynn-effect en de hedendaagse media. Het Flynn-effect is een verschijnsel in de psychodiagnostiek waarbij de gemiddelde score op intelligentietesten bij hernormering stijgt over de jaren heen. James Flynn, een Nieuw-Zeelands psycholoog, was de eerste die over het fenomeen onderzoek deed. Het effect werd later herhaaldelijk geconstateerd door onderzoekers bij IQ-testen in de Verenigde Staten en Azië, maar ook in Vlaanderen en Nederland. Concreet: een IQ test wordt in de regel genormeerd op een representatieve groep proefpersonen, waarbij het gemiddelde op 100 gesteld wordt. Berekent men enkele jaren later nieuwe normen, dan blijkt dat deze strenger worden: men moet meer vragen goed beantwoorden voor eenzelfde IQ-score. Dit komt omdat de ruwe score (aantal goede antwoorden) van de nieuwe normgroep hoger ligt dan die van de eerdere. Zonder hernormering zou dit leiden tot een verhoging van het gemiddeld gemeten IQ (op de langer geleden genormeerde test) van zo'n 3 à 5 punten per decennium.

Om kort te gaan: we scoren beter op dezelfde IQ-test dan eerdere generaties. Over de verklaringen bestaat controverse. Komt het door een betere conditie van mensen door betere voeding? Een hoger schoolpeil? Een toegenomen bekendheid met de test zelf? Het is goed te realiseren dat een IQ-test slechts een deel van de totale intelligentie van de mens meet, stelt Johnson eerst. Maar juist het deel van de intelligentie die in zo'n test gemeten wordt (probleemoplossend vermogen, abstract redeneren, patroonherkenning, ruimtelijk inzicht) maakt de aanname plausibel dat het Flynn-effect op zijn minst voor een stuk gelieerd is aan onze omgang met steeds ingewikkelder wordende media en steeds gecompliceerdere narratieve structuren. Temeer daar het Flynn-effect zich het nadrukkelijkst voordoet onder de groepen die laag tot gemiddeld scoren op IQ-tests. Ter adstructie van zijn stelling analyseert Johnson de Raventest:
Om te beginnen wordt de informatie visueel in plaats van tekstueel gepresenteerd. Je moet — letterlijk — de open ruimte ‘invullen’ en de reeks voltooien. Met feiten uit je hoofd leren of een grote woordenschat kom je in deze test niet verder, je moet nauwkeurig op de gepresenteerde reeks letten, in elke figuur een patroon ontdekken en de relevante en irrelevante informatie van elkaar scheiden. In feite is er een reeks potentiële aanwijzingen gegeven die bij elkaar vertellen welke figuur er in het lege vakje hoort, waarbij de aanwijzingen onderling met elkaar verbonden zijn doordat elke vorm in de reeks op subtiele wijze op andere vormen in de reeks aansluit. Om deze puzzel op te lossen moet je de precieze verhouding zien tussen de vormen op de horizontale en verticale lijnen, van links naar rechts en van boven naar beneden, en begrijpen dat de donkere delen in de eerste twee vormen in de derde vorm steeds zijn samengevoegd. Diagonale lijnen zijn in dit geval echter irrelevant. Wat dat betreft is er sprake van een open vraag, want een deel van de oplossing bestaat eruit dat je moet bedenken welke elementen in de vraag relevant zijn, en welke afleidingsmanoeuvres.
Persoonlijke bedenkingen
Het attractieve van Alle slechte dingen zijn goed voor je voor mij persoonlijk ligt deels in het feit dat Steven Johnson een cultuurcriticus is die opgegroeid is met (en duidelijk zijn liefde betuigt aan) bezigheden waar ik ook mee ben opgegroeid: SimCity, voetbalmanagersspelletjes, rollenspellen à la Dungeons & Dragons. Het maakt 'm in mijn ogen als cultuurfilosoof geloofwaardiger dan pakweg Roger Scruton of George Steiner. Johnson is niet zo bezwaard met behoudensgezinde reflexen (en soms ronduit bijgeloof) inzake cultuur.

Ook prettig, hoewel niet expliciet zijn bedoeling, is dat Johnson een medium dat mij hoegenaamd niet ligt, relativeert. Film. John Irving heeft in een autobiografisch boek fijntjes uitgelegd tot wat voor onbetamelijke compromissen filmmakers worden gedwongen door de filmbonzen. Johnson verwoordt een ander fundamenteel bezwaar waar ook ik al jaren mee rondloop: dat film van oudsher een natuurlijke beperking van de complexiteit met zich meebrengt, omdat het hele verhaal in twee tot drie uur moet worden verteld. Televisieseries vertellen verhalen die zich in de loop van vele seizoenen van elk meer dan tien afleveringen ontvouwen. Wat mij tot de vraag noopt: waarom bezitten alle tijdschriften een rubriek filmrecensies, maar worden omzeggens nooit hele televisiereeksen bekritiseerd? Wat is dat toch voor rare fetisj, die filmcriticus?

Maar bovenal is Alle slechte dingen zijn goed voor je een zeldzaam stimulerend boek, met veel content die ik nooit elders las. Johnsons pleidooi voor een verschijnsel als realitytelevisie vind ik heel geloofwaardig en dwingt me daarom — ooit — eens goed te verwoorden wat mij dan zo tegenstaat aan die programma's. In boeken zie ik graag relaties tussen personages evolueren; op televisie kan ik het niet aanzien. Waarom? Waarom lees ik überhaupt liever boeken dan dat ik kwaliteitsseries bekijk? Is het omdat een goede schrijver er toch beter in slaagt mijn empathie te wekken voor personages? Omdat literatuur (ik heb het niet over genrefictie) zich minder laat gelegen liggen aan formats? Is het een esthetische kwestie? Het buiten de deur houden van bepaalde kleuren, accenten, geluiden? Bovenmatige liefde voor taal? De narcistische bevrediging dat een boek je veel meer in de waan laat dat het exclusief voor jou gemaakt is? En zijn dat allemaal wel positieve argumenten?

Alle slechte dingen zijn goed voor je laat de lezer achter met met nog meer onbeantwoorde vragen. Verschillende tests hebben uitgewezen dat we niet per se gewelddadiger worden van gewelddadige televisie. Waarom worden we dan wel slimmer van slimme televisie? Johnson verdisconteert de factor man-vrouw niet in zijn verhaal. Valt er niet meer te zeggen over de (mogelijk) verschillende manier waarop mannen en vrouwen gamen, televisie kijken, internetten? Is het eigenlijk wel zo dat de sociale intelligentie die in het bekijken van realitytv steekt iets oplevert? Er is een interessant boek te schrijven over de these dat we meer inzicht krijgen in sociale situaties juist omdat we ons meer en meer spiegelen aan wat we op televisie zien. Dat pittige theekransje met de meiden, lijkt dat niet heel sterk op bepaalde scènes uit Desperate Housewives?

Ik heb ook een bezwaar dat Johnson op het einde van zijn boek blijft steken in het amorele begrip complexiteit. Is 'ingewikkeld' hetzelfde als 'kwalitatief'? De verstrengeling van verhaallijnen en intelligente dialogen in House M.D. dwingen ontzag af, akkoord, maar hebben ze ook uitstaans met de realiteit? Steekt de ingewikkeldheid op de juiste plekken? Frits Abrahams heeft in een geestige column al eens beschreven hoe het dure medische jargon andere oppervlakkigheden van ziekenhuisseries aan het zicht onttrekt. Wat ik zeggen wil: bestaat er iets als laagwaardige complexiteit?

Tot slot laat Johnson me zitten met dagdromen over een boek dat net het tegenovergestelde doet als Alle slechte dingen zijn goed voor je. Een boek dat de oppervlakkigheid blootlegt van bepaalde hoogaangeschreven cultuurproducten. Psychologische finesses in boeken die eigenlijk vooral literaire clichés blijken te zijn. De dure praatjes in kunstcatalogi die welbeschouwd draaien rond een handvol vage begrippen. En de films van Fellini, zitten die echt zo goed in elkaar?

[afbeelding: screenshot uit SimCity 2000]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Steven Johnson, Alle slechte dingen zijn goed voor je
Waarom de populaire cultuur ons slimmer maakt

239 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2007
Oorspr. Everything bad is good for you
How today's popular culture is actually making us smarter
(2005)
Vertaald door Wybrand Scheffer

____

Related Posts with Thumbnails